Zij moeten voldoende geld overhouden om in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien, de zogeheten beslagvrije voet. Dat betekent dat ook als iemand ten onrechte of te veel bijstand heeft ontvangen bij de terugvordering en de inning van de boete rekening gehouden moet worden met de beslagvrije voet. Nieuwe wetgeving leidt tot een andere manier van berekenen en tot een vast percentage van de bijstandsuitkering dat beschikbaar is voor aflossing van schulden.

Hoe wordt de beslagvrije voet berekend?

De berekening van de beslagvrije voet is onder de huidige wetgeving lastig te maken. De beslaglegger of inner heeft veel gegevens nodig van de schuldenaar. Het niet of onvoldoende aanleveren van gegevens leidt in veel gevallen tot een te lage beslagvrije voet. Daarom is de wetgeving aangepast, zodat het berekenen van de beslagvrije voet eenvoudiger wordt. De aangepaste wet treedt waarschijnlijk per 1 juli 2018 of 1 januari 2019 in werking.

In de huidige situatie zijn de bijstandsnorm en de toeslagen van de Belastingdienst bepalend voor de berekening van de beslagvrije voet. Voor de hoogte van de bijstandsnorm zijn twee mogelijkheden: norm gehuwden of  norm alleenstaande / alleenstaande ouder.

Nieuwe stappen berekening beslagvrije voet

In de nieuwe situatie geldt een vast bedrag per leefsituatie. De wet kent 4 leefsituaties:

  1. alleenstaande;
  2. alleenstaande met een of meer kinderen jonger dan 18 jaar (alleenstaande ouder);
  3. gehuwden zonder kinderen jonger dan 18 jaar; en
  4. gehuwden met een of meer kinderen jonger dan 18 jaar.

Deze specifieke leefsituaties sluiten aan bij het stelsel van de Participatiewet.

De andere factor die de hoogte van de beslagvrije voet bepaalt, is het inkomen. Er zijn 3 inkomensgroepen:

  1. de groep met een inkomen die geen recht heeft op toeslagen. Voor deze groep geldt een vast bedrag per leefsituatie;
  2. de groep  die wel recht heeft op toeslagen, maar door hun inkomen  niet volledige toeslagen krijgt. Voor deze groep geldt een formule met een evenredige ophoging (compensatiekop);
  3. de groep die een inkomen heeft gelijk aan of lager dan de geldende bijstandsnorm.

Bij de laatste groep is in de huidige situatie de beslagvrije voet vaak hoger dan het inkomen zelf. De regering wil een belangrijk signaal afgeven dat schuldenaren hun financiële verplichtingen moeten nakomen. Daarom wordt de beslagvrije voet vastgesteld op 95% van het netto-inkomen inclusief vakantiebijslag. Dat betekent dat een bijstandsgerechtigde 5% van zijn uitkering voor aflossing van zijn schulden moet inzetten. Dit geldt ook voor de bijstandsgerechtigde kostendeler.

Opvallende gevolgen

Dus iedereen die bijstand ontvangt, kan straks 5% van de geldende bijstandsnorm aan de (terug)vordering aflossen. Dat heeft een paar opvallende gevolgen:

  • Nu kan een kostendeler niets aflossen, straks 5%. Dat betekent dat een aantal – nu oninbare – vorderingen straks toch afgelost gaat worden.
  • Nu wordt voor een niet-kostendeler in een aantal gemeenten 10% van de geldende bijstandsnorm aangehouden. Dat mag niet, maar het gebeurt wel. Bij deze bijstandsgerechtigden kan 5% minder per persoon per maand worden geïnd. Het debiteurensaldo zal dus minder hard dalen.
  • Een groot aantal gemeenten houdt 6% van de norm aan, omdat je daar ongeveer op uitkomt als je de correcties voor de woonkosten, zorgverzekering en kindgebonden budget toepast. Daar is waarschijnlijk per saldo geen verschil in het debiteurensaldo. Het is 1% minder voor de niet-kostendeler, 5% meer voor de wel kostendeler.

Zoekt u de laatste kennis en inzichten over de beslagvrije voet?

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina