”Als u er als gemeente in slaagt de bijstandsuitgaven terug te dringen, dan mag u de besparing zelf houden”, was een van de verkoopargumenten. En nog steeds kom ik die redenatie tegen, vooral in beleidsvoorstellen die als doel hebben geld vrij te maken om daarmee een verondersteld succesvol project te starten of te continueren. En politiek komt het natuurlijk goed uit om succes te kunnen melden in de jarenlange besparingen. Helaas blijkt dit in de praktijk vaak tegen te vallen.

De werkelijkheid

Laten we een voorbeeld nemen van een middelgrote gemeente. De gemeente heeft 41.000 inwoners van wie 1000 in de bijstand. Het doel van de gemeente is om dit aantal in het lopende kalenderjaar  te laten dalen met 7,5%. Aan het eind van het jaar wil de gemeente niet meer dan 925 klanten hebben. Om dit doel te bereiken investeert de gemeente in 2 extra medewerkers.
De gemiddelde prijs van een uitkering bedraagt € 14.200,- per jaar.De kosten van de 2 extra medewerkers worden geraamd op € 120.000,-. Maar de besparing wordt ingeboekt op structureel 75 x 14.200  = € 1.065.000,-. Het lopende jaar rekent men gemiddeld op een besparing van 50% = € 532.500,-, omdat de uitstroom verspreid over het jaar zal plaatsvinden.

De besparing in het lopende jaar kan, als het resultaat daadwerkelijk gerealiseerd wordt, inderdaad op het bedrag van € 532.500,- uitkomen. Als aan het eind van het jaar echter blijkt dat de gemiddelde bestandsdaling in het land ook 7,5% is, dan blijft er van de structurele besparing niets over. In dat geval zal namelijk het toekomstige macrobudget ook met 7,5% dalen en leiden tot een lagere budgettoekenning. Het komt erop neer dat alleen het structureel beter presteren dan je collega-gemeenten tot meerjarige besparingen zal leiden. Maar dat is een verhaal dat slecht verkoopt en daarom niet vaak genoemd wordt in de beleidsvoorstellen.

Hoe verder?

Niets doen is geen optie. Want daal je minder snel dan de gemiddelde gemeente, dan is je budgetdaling groter dan de besparing en dan moet er elders geld vandaan komen om dit tekort te dekken. Je moet dus niet alleen goed zicht hebben op je eigen prestaties, maar ook op die van de andere gemeenten. Op welke punten doen zij het beter (of slechter) dan je eigen gemeente en wat valt daaruit te leren? Deelname aan de Divosa Benchmark Werk en Inkomen kan op deze vragen antwoord geven.
Goed zicht hebben op de financiële werking van het systeem is sowieso zeer nuttig. Het is erg jammer dat er gemeenten zijn die weinig investeren in loonkostensubsidies omdat in de budgettoewijzing niet is terug te vinden dat men daarvoor gecompenseerd wordt. En dat er gemeenten zijn die de loonkostensubsidie niet uit de BUIG-middelen betalen maar uit de participatiemiddelen, omdat de loonwaarde van een cliënt op 25% is vastgesteld en men het idee heeft dat je de 70% loonkostensubsidie daarom niet op basis van artikel 10d mag verstrekken. En zo kan ik nog een reeks praktijkvoorbeelden geven van besluiten die met te weinig kennis van de financiële spelregels zijn genomen.

Samen met Divosa organiseert Stimulansz elk jaar de financiële Actualiteitendagen. Tijdens deze bijeenkomsten behandelen wij de actualiteit op financieel gebied en zullen wij onze kennis met u delen op tal van dossiers. Zo kunt u op de hoogte blijven van alle ontwikkelingen op financieel gebied en uw vragen voorleggen aan experts.

De dagen vinden dit jaar plaats  op 14, 16 en 21 mei. Voor programma en aanmelding kunt u hier terecht.

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina