Dit lijkt een succes. Zo is het aantal ondertoezichtstellingen sinds 2009 met ruim 30% afgenomen. De vraag is echter of dranghulp ingezet kan worden als alternatief voor gedwongen hulp. Dranghulp is namelijk in strijd met de rechten van kinderen én ouders.

Rechten van het kind

In het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK), dat midden jaren ‘90 door de Nederlandse overheid is geratificeerd, staat dat elk kind het recht heeft om in veiligheid op te groeien en zich te ontwikkelen. Ouders zijn hiervoor primair verantwoordelijk, maar kunnen hierbij rekenen op steun van de overheid. Zo is de overheid onder andere verantwoordelijk voor het organiseren van zorg, onderwijs en opvang. Verder heeft de overheid de taak om in het belang van het kind in te grijpen wanneer ouders hun verantwoordelijkheden niet nakomen.

In lijn met het IVRK kan de Nederlandse overheid ingrijpen wanneer de veiligheid of ontwikkeling van kinderen in gevaar is. De kinderrechter kan op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) een ondertoezichtstelling of een gezagsbeëindigende maatregel opleggen. Bij een ondertoezichtstelling worden kinderen en ouders verplicht om mee te werken aan hulp en bij een gezagsbeëindigende maatregel verliezen ouders zelfs (tijdelijk) het gezag over hun kinderen.

Jeugdhulpverlening in grijs gebied

Dranghulp wordt veelal omschreven als ‘vrijwillig, maar niet vrijblijvend’. Het is een kruising tussen vrijwillige en gedwongen hulp, waarbij kinderen en ouders onder druk worden gezet om mee te werken aan vrijwillige hulp. De jeugdhulpverlening begeeft zich hiermee in een grijs gebied, waarin de rechten van kinderen en ouders niet gewaarborgd zijn. Zo is er geen kinderrechter die toetst of er ingegrepen mag worden. Aan de hand van twee artikelen uit het IVRK licht ik mijn bezwaren tegen dranghulp verder toe.

Artikel 3. Belangen van het kind

Bij alle maatregelen die kinderen betreffen dient het belang van het kind voorop te staan. Wanneer de ouders van het kind, of anderen die verantwoordelijk zijn, hun verplichtingen niet nakomen, zal de Staat het kind voorzien van de nodige zorg.

Dranghulp maakt het mogelijk dat hulp eerder wordt ingezet en problemen sneller aangepakt kunnen worden. Maar in de praktijk wordt dranghulp ook ingezet om tijdrovende en dure juridische trajecten te voorkomen. Een deel van de kinderen ontvangt hierdoor niet de hulp en de bescherming van de overheid die zij op basis van het IVRK wel verdient.

Artikel 5. Rol van ouders

De staat dient de rechten en verantwoordelijkheden van de ouders en familie te eerbiedigen ten aanzien van de begeleiding van het kind bij de uitoefening door het kind van rechten uit het Verdrag.

Ouders hebben bij dranghulp formeel zelf de regie over de geboden hulp, maar in de praktijk is hiervan veelal geen sprake. Zo bezwijken met name kwetsbare ouders – bijvoorbeeld ouders met een verstandelijke beperking of psychische problemen – veelal onder de druk van hulpverleners. Bij dranghulp wordt dus – onbedoeld – inbreuk gemaakt op de rechten van ouders.

Ingrijpen in het belang van het kind

Ik vraag gemeenten – als verantwoordelijken voor de jeugdhulp – voorzichtig te zijn met de inzet van dranghulp. Als er gegronde zorgen zijn over de veiligheid of ontwikkeling van kinderen moet er in het belang van het kind ingegrepen worden. Maar laat deze beslissing over aan de kinderrechter en niet aan jeugdhulpverleners. Alleen dan respecteert u als gemeente de rechten van kinderen én ouders.

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina