Met een pragmatische insteek en een simpel gedachte-experiment biedt John Rawls handvatten om basisprincipes van rechtvaardigheid op te stellen voor onze moderne samenleving. Een samenleving waarin vele levensbeschouwingen in vrijheid naast elkaar leven zonder dat één ideologie de dienst uitmaakt. Maar ook een samenleving die behoefte heeft aan morele basisprincipes die we samen als voorwaarde van een rechtvaardige samenleving zien. Hoe vinden we die balans en wat kunnen we als beleidsmakers in het sociaal domein leren van Rawls?

Een pleidooi voor de ‘smalle’ moraal

De vraag hoe een samenleving eruit zou moeten zien komt vaak terug in ideologieën met een religieuze of politiek-filosofische basis. Veel van deze ideologieën, zoals de filosofie van Plato, voelen in een moderne samenleving wrang aan. In de ethiek wordt dit een ‘brede’ moraal genoemd; een morele theorie die bepaalt hoe een goed leven eruit zou moeten zien en welke specifieke normen en waarden voor iedereen de juiste zijn. Daartegenover staat een ‘smalle’ moraal; het streven naar een basis van fundamentele waarden waar eenieder het mee eens kan zijn zonder een uitspraak te doen over hoe het goede leven eruit ziet. John Rawls constateert dat een moderne samenleving met sterk verschillende levensbeschouwingen vraagt om zo’n smalle moraal; een instrument om te evalueren of je samenleving een rechtvaardige samenleving is. The right is prior to the good (‘het rechtvaardige komt voor het goede’) is in dat kader zijn meest typerende citaat.

Oog voor het individu

Verder zet Rawls zich in zijn werk af tegen de ethische stroming van het utilisme. Volgens het utilisme moet een samenleving streven naar het grootste geluk voor de grootste groep mensen: Als je kunt kiezen tussen een aantal alternatieven, is de handeling die het grootste geluk aan het grootste aantal mensen biedt altijd de juiste. Dit kan dus ook betekenen dat de belangen of zelfs het leven van één individu opgeofferd kan worden in het belang van de meerderheid. Rawls ziet dat als onacceptabel:

“Elke persoon bezit een op rechtvaardigheid gefundeerde onschendbaarheid die zelfs omwille van de welvaart van de samenleving als geheel niet terzijde geschoven kan worden”[1]

Met zijn conclusie dat een moderne samenleving behoefte heeft aan een smalle moraal (m.a.w. individuele vrijheden) én het individu geen slachtoffer mag worden van het belang van de meerderheid (individuele rechten) bouwt hij de fundering voor zijn gedachte-experiment.

Een bruikbaar gedachte-experiment

Net als andere politieke filosofen (Locke, Hobbes, Rousseau) is Rawls een ‘sociaal-contract-denker’. Een sociaal contract is de gedachte dat de legitimiteit van het gezag van de staat over een individu voortkomt uit een imaginair contract tussen beiden. Maar bij Rawls is de invulling totaal anders. In het boek ‘A theory of justice’ beschrijft Rawls het volgende gedachte-experiment:

Stelt u zich voor dat u achter een veil of ignorance (een sluier van onwetendheid) zou plaatsnemen. Achter deze sluier weet u niet wat uw positie in de samenleving is, u kent uw huidskleur niet, weet uw geslacht en seksuele voorkeur niet en weet niet wat uw financiële situatie is. In principe zou u dus ieder individu in de samenleving kunnen zijn. Als u uzelf in deze positie voorstelt: hoe zou u dan de samenleving inrichten? U zou in principe iedereen kunnen zijn: een vastgoedmagnaat, een kind in een achterstandswijk, een docent, iemand met een bijstandsuitkering of een veelbelovende ondernemer. Het interessante is dat met dit gedachte-experiment mensen niet vanuit een bepaald belang invulling geven aan rechtvaardigheid, maar vanuit alle mogelijke belangen. U wilt immers niet het risico lopen dat u diegene bent naar wie de samenleving niet omkijkt.

In het vervolg van ‘A theory of justice’ bouwt Rawls hierop voort en leidt hij een aantal waarden af van een rechtvaardige samenleving. De onderbouwing is hier te uitgebreid maar de onderdelen zijn: 1) fundamentele vrijheidsrechten, 2) gelijke kansen (je weet immers niet welke positie je hebt), 3) ongelijkheid in inkomen mag tot zover het de positie van de zwaksten ten goede komt en 4) handhaven van zelfrespect (ruimte voor ieders eigen levensvisie).

Rechtvaardigheid & het sociaal domein

Hoe vertalen we deze inzichten nu naar een betere uitvoering of beter beleid in het sociaal domein? En zijn dit niet vraagstukken die in de politieke arena thuishoren of waar de bestuurder iets van moet vinden? Ik ben van mening dat de inzichten van Rawls op 3 manieren in het sociaal domein waardevol kunnen zijn:

Ten eerste horen morele keuzes mijns inziens niet alleen in de politiek-bestuurlijke arena thuis. Bepaalde beslissingen zoals de herverdeling van financiële middelen naar specifieke doelgroepen en het recht op bepaalde voorzieningen zijn verankerd in de wetgeving. U kunt dan als consulent ervaren dat u niet de vrijheid of legitimiteit hebt om hieraan te twijfelen. Toch helpt het, zeker in bijzondere gevallen, om het gedachte-experiment van Rawls erbij te pakken en te evalueren of uw voorgenomen besluit rechtvaardig is of niet. Zou u, alle mogelijke belangen overwegend, zeggen dat de afwijzing van deze uitkering een te rechtvaardigen besluit is? In complexe casussen helpt het om afstand te nemen en bijvoorbeeld mee te nemen wat de grondwaarde is van de wetgeving waarmee u werkt. Vaak ziet u dan dat er meer mogelijk is dan u aanvankelijk dacht: een praktijk waar we met de omgekeerde toets veel ervaring mee hebben.

Ten tweede is het gedachte-experiment van de ‘sluier van onwetendheid’ interessant bij het opstellen van nieuw beleid om op een nieuwe wijze kritisch naar uw gemeente te kijken. Stel dat u iedere persoon in uw gemeente zou kunnen zijn; heeft iedere inwoner in uw gemeente dan gelijke kansen? Waarschijnlijk zult u al snel tot de conclusie komen dat bepaalde factoren, zoals uw denkvermogen, het gezin waarin u geboren bent of uw lichamelijke beperkingen, betekenen dat er niet zoiets als gelijke kansen bestaat. In de theorie van Rawls zal echter een rechtvaardige gemeente ernaar streven deze op toeval of geluk ontstane verschillen te compenseren. Het is interessant om als beleidsteam erachter te komen waar op toeval gebaseerde verschillen in uw gemeente ontstaan zijn en welk beleid dit kan compenseren. Waarschijnlijk ziet u vanuit dit nieuwe perspectief nieuwe aandachtspunten.

Als laatste is in de theorie van Rawls zelfrespect een belangrijk primair sociaal goed. Iedereen zal immers achter de ‘sluier van onwetendheid’ in ieder geval willen dat hij of zij als autonoom moreel persoon wordt gerespecteerd, wat je positie in de samenleving ook moge zijn. Hier is mijns inziens in het sociaal domein veel verbetering mogelijk. Vraagt u zich maar af: respecteren wij de autonomie van iedereen die een uitkering komt aanvragen écht? Soms is dat respect ervan afhankelijk in hoeverre de betrokkene meedoet in de processen van de ‘systeemwereld’. Inlevingsvermogen in de leefwereld van iemand in een kwetsbare situatie zou u zelf ook verwachten als u in die situatie zat. Dat contrast tussen systeemwereld en leefwereld is met het gedachte-experiment van Rawls zeer intuïtief aan het licht te brengen; evalueer uw dienstverlening zoals het voor de inwoner overkomt en probeer de leefwereld en systeemwereld niet te ver uit elkaar te laten lopen. Bij Stimulansz hebben wij daarom een omgekeerde modelverordening geschreven in begrijpelijke taal, waarin niet de jurist, maar de inwoner centraal staat.

Concluderend hoop ik dat beleidsmakers en uitvoerders in het sociaal domein in de drukte van alledag reflecteren op hun werk om vervolgens op een frisse manier te kijken hoe zij de dienstverlening aan inwoners  nóg iets rechtvaardiger kunnen maken.

[1] John Rawls, ‘A theory of justice’ p. 51.

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina