Deze opgaven beperken zich niet tot de grenzen van een gemeente of regio. Samenwerken aan deze uitdagingen is dan ook noodzakelijk. In het IBP zijn 10 grote opgaven benoemd.

Ambities gezamenlijke overheden

De ambitie van de verschillende overheden is om de komende jaren op basis van gelijkwaardigheid te werken aan deze opgaven. Voor het sociaal domein zijn de opgaven ‘Merkbaar beter in het sociaal domein’, ‘Problematische schulden voorkomen en oplossen’ en ‘Passende financiële verhouding’ van belang. Onderwerpen waar Stimulansz de afgelopen jaren al samen met gemeenten aan heeft gewerkt. Ook in de toekomst blijft Stimulansz dat samen met de gemeenten doen.

Financiële verhoudingen gemeente en Rijk

Eén van de belangrijkste besluiten in het IBP is het weer aanzetten van het trap-op-trap-af-principe voor gemeenten. Dit houdt in dat de gemeentefinanciën meebewegen met de uitgaven van de Rijksoverheid.  Als er bezuinigd wordt bij het Rijk, dan moeten gemeenten meebewegen. Andersom werkt het net zo: als het Rijk meer uitgeeft, dan groeien de gemeentefinanciën mee.

Daarbij is de koppeling met de Rijksfinanciën uitgebreid. Ook de gemeentelijke uitgaven voor zorg en sociale zekerheid zijn nu namelijk gekoppeld aan de uitgaven van het Rijk. De basis van het trap-op-trap-af-principe is daardoor vergroot en naar verwachting stabieler. Door deze brede koppeling krijgen gemeenten er de komende jaren € 5 miljard aan middelen bij. Met andere woorden: de algemene uitkering stijgt flink en gemeenten krijgen daardoor meer financiële armslag.

Streep onder financiële problemen

Het Rijk heeft bij de afspraken in het IBP wel gezegd dat met deze afspraken er ook een streep onder tekorten uit het verleden wordt gezet. Dat betekent dat het Rijk geen extra middelen voor ‘oude’ tekorten beschikbaar stelt.  Dus de tekorten die ontstaan zijn in het sociaal domein bij de bijstand, de tekorten in de jeugdzorg en tekorten als gevolg van de nieuwe CAO Huishoudelijke hulp moeten door gemeente zelf worden opgevangen. Ook de toename in het beroep op jeugdzorg komt voor eigen rekening van de gemeenten. Daarnaast moet de stijging van de lonen en prijzen in de komende jaren met de nieuwe  extra middelen worden gedekt. Gemeenten hoeven niet te rekenen op een extra bijdrage van het Rijk voor deze stijgingen (die gezien de economische ontwikkeling de komende jaren hoog zullen zijn).

Op basis van de afspraken in het IBP gaan gemeenten er volgens het Rijk per saldo € 1,4 miljard op vooruit. De extra middelen zijn toegevoegd aan de algemene uitkering en daarmee vrij besteedbaar voor elke gemeente. Op macroniveau komt er dus geld bij voor gemeenten en zijn er mogelijk geen tekorten meer binnen het sociaal domein. Echter, de verwachting is dat de verdeling van de extra middelen niet per definitie op de plek terechtkomt waar het nodig is. Er zullen dus gemeenten zijn die meer middelen krijgen dan ze direct nodig hebben en gemeenten die te weinig middelen krijgen om hun tekorten in het sociaal domein op te lossen.

Voor 2 tekorten heeft de VNG met het Rijk afgesproken dat er extra onderzoek wordt gedaan naar de oorzaken van de tekorten. Het onderzoek naar de BUIG is uitgevoerd door de Raad van Openbaar Bestuur (ROB). Het advies van de ROB aan het Rijk is om de raming van het bijstandsbudget aan te passen. Daarom heeft het Rijk in de voorjaarsnota aangekondigd de macrobudgetten voor 2018 en 2019 aan te passen.

Het tweede onderzoek is een onderzoek naar feitelijke uitgaven van de jeugdzorg. Vooral de volumegroei van de jeugdzorg is een belangrijk onderdeel van dit onderzoek. Het onderzoek naar dit onderwerp is nog niet afgerond.

Zijn gemeenten nu beter af?

Het aanzetten van het trap-op-trap-af-principe en de verbreding met de uitgaven voor zorg en sociale zekerheid zijn afspraken die gunstig zijn voor de gemeentefinanciën in de komende jaren. De extra middelen komen ten gunste van de algemene uitkering en zijn vrij besteedbaar voor gemeenten. Tegelijk moeten de bestaande financiële tekorten gedekt worden uit deze middelen. Net als eventuele toekomstige uitgaven voor de opgaven uit het IBP. Het is nu nog onduidelijk welke uitgaven dit zullen zijn, maar die zullen er komen. De vraag is dan of de uitvoering van het IBP niet in het gedrang komt als de financiële middelen al zijn opgebruikt om de ‘oude’ tekorten te dekken. Dan zijn de gemeenten, maar ook het Rijk, niets opgeschoten met het maken van de nieuwe samenwerkingsafspraken.

Daarnaast is niet helemaal duidelijk of het extra budget op macroniveau op de juiste plek terechtkomt. De verdeling van de middelen is waarschijnlijk niet optimaal, zodat er verschillen ontstaan tussen gemeenten.

De vraag of gemeenten financieel beter af zijn door dit akkoord met het Rijk is niet eenduidig te beantwoorden. Er zitten voor gemeenten zowel positieve als minder positieve kanten aan het akkoord. Het onderzoek naar het BUIG-budget heeft er al voor gezorgd dat gemeenten iets positiever over het akkoord kunnen denken. Als ook het onderzoek naar de uitgaven voor de jeugdzorg een positief resultaat geeft, dan zal de balans naar de goede kant uitslaan en zijn gemeenten de komende jaren beter af.

Gemeentefinanciën niet eenvoudig

Het financiële proces binnen gemeenten, en specifiek binnen het sociaal domein, is complex. Dat blijkt ook weer uit de gevolgen van het Interbestuurlijk Programma. Om dezelfde taal te kunnen spreken als financiële collega’s bij uw gemeente is het belangrijk om inzicht te hebben in de werking van de financiën van de gemeente.

Op dinsdag 2 oktober geef ik de training ‘Effectief aan het (financiële) stuur’ voor beleidsmedewerkers, leidinggevenden en projectleiders van gemeenten. Deze training geeft u inzicht en tools om meer grip te krijgen op het complexe financiële proces binnen het sociaal domein. Meld u nu aan!

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina