Participatiewet als sluitstuk

Deze verplichting uit de Grondwet is uitgewerkt in een socialezekerheidsstelsel dat bestaat uit verschillende regelingen voor mensen die tijdelijk of duurzaam niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Bijvoorbeeld vanwege ouderdom of arbeidsongeschiktheid. Het gaat om werknemersverzekeringen, volksverzekeringen en sociale voorzieningen. De Participatiewet vormt het sluitstuk van de sociale zekerheid. Dat betekent concreet dat de Participatiewet het laatste formele vangnet is voor mensen die het op eigen kracht niet redden. Als er óók geen beroep meer gedaan kan worden op de Participatiewet, dan zijn mensen aangewezen op particuliere initiatieven en kerkelijke instanties. Deze initiatieven zijn bijzonder waardevol, maar bieden niet de waarborgen van een wettelijk vangnet door de overheid.

Vangnetfunctie

De Participatiewet komt pas in beeld als alle andere mogelijkheden zijn uitgeput. Deze wet neemt daarom een heel bijzondere positie in binnen het socialezekerheidsstelsel. Het gaat hierbij zowel om de kosten van levensonderhoud als om noodzakelijke kosten vanwege bijzondere omstandigheden. Om de grondwaarde van de Participatiewet, het garanderen van het bestaansminimum, goed te kunnen uitvoeren is de mogelijkheid om maatwerk te leveren vastgelegd in artikel 18, eerste lid Participatiewet: ‘Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.’ Het belang van dit artikel is nauwelijks te overschatten, aangezien dat het college heel veel ruimte biedt om rekening te houden met de persoonlijke situatie. Alleen door maatwerk te leveren wordt het recht op bijstand van overheidswege gegarandeerd.

Gelijkheidsbeginsel

De grote vraag is altijd hoe dit zich verhoudt tot het gelijkheidsbeginsel. Dit grondrecht houdt in dat in gelijke gevallen ook gelijk beslist moet worden. De andere kant van de medaille is dat in ongelijke gevallen dus niet op dezelfde manier wordt beslist. Bovendien is het een illusie te denken dat het gelijkheidsbeginsel wordt gewaarborgd door voor iedereen dezelfde regels toe te passen. Als twee situaties niet gelijk zijn, is het toepassen van een gelijke regel mogelijk juist een schending van het gelijkheidsbeginsel. Stel dat zich een leeuw en een konijn bij ons melden. Allebei hebben ze honger. We besluiten het gelijkheidsbeginsel toe te passen en ze allebei een wortel te geven. Het konijn huppelt verzadigd weg, maar de leeuw is natuurlijk nog steeds hongerig.

Beter is het om richtinggevende principes vast te stellen. Wat willen we bereiken met mensen die bij de gemeente aankloppen om hulp? Dergelijke richtinggevende principes kunnen leiden tot toepassing van verschillende regels om eenzelfde effect te bereiken.

Nog een kleine waarschuwing

Houd er wel rekening mee dat de Rijksoverheid tot taak heeft om de spreiding van de welvaart te regelen. Het is daarom ook de Rijksoverheid die inkomenspolitiek bedrijft. Standaard bepaalde groepen een hogere norm geven omdat de gemeente dat wenselijk vindt past daarom niet binnen het maatwerk. De Rijksoverheid heeft een heel duidelijke keuze gemaakt om werkenden een hoger inkomen te gunnen dan niet-werkenden en om woningdelers te korten op de uitkering. De taak van gemeenten is om binnen deze spreiding van welvaart maatwerk te leveren als er vanwege bijzondere omstandigheden van de hoofdregel moet worden afgeweken. De Rijksoverheid gaat over het geheel, de gemeente over het individu.

Met de integrale werkwijze van de omgekeerde toets biedt u burgers een besluit op maat.

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina