Wilt u de volledige Omgekeerde Modelverordening lezen?

Kernwaarden:Gewicht (* ** of ***):
De gemeente en de inwoner zijn gelijkwaardige partners.***
De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor.***
De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is.***
De inwoner geeft de informatie die nodig is.**

 

8.1  Hoe gaan we met elkaar om?

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb]

8.1.1  De rol van de gemeente

  1. De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een gelijkwaardige manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:
    1. Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.
    2. De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek bij de gemeente of bij de inwoner thuis.
    3. De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.
    4. De website van de gemeente voldoet aan erkende kwaliteitseisen.
    5. Er zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn.
    6. De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.
    7. De gemeente respecteert de privacy van de inwoner.
    8. De gemeente maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.
    9. De gemeente wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp.
  2. De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat niet door de beugel kan. De gemeente zorgt voor het volgende:
    1. De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:
      1. zijn rechten en plichten;
      2. wat er van hem wordt verwacht;
      3. welk gedrag niet deugt;
      4. wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en
      5. waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.
    2. De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren.
    3. De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:
      1. de ernst van het gedrag;
      2. de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en
      3. de persoonlijke situatie van de inwoner.
    4. De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).

8.1.2  De rol van de inwoner

  1. De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:
  2. De inwoner zet eerst de eigen mogelijkheden in voordat hij hulp vraagt aan de gemeente.
  3. Als de gemeente hulp verleent werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem.
  4. De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is.
  5. De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:
  6. De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner.
  7. De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner.
  8. De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente.

8.2  Afspraken en verplichtingen

8.2.1      Afstemming op houding en gedrag van de inwoner

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

  1. De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner.
  2. Bij het nemen van een besluit tot het verlagen van een uitkering houdt de gemeente rekening met:
    1. de ernst van het gedrag;
    2. de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en
    3. de persoonlijke situatie van de inwoner.
  3. Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat op de volgende manier doen:
    • telefonisch
    • schriftelijk
    • via e-mail
    • [aanvullen]

8.2.2      Verjaring

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

De gemeente verlaagt de uitkering niet als het gedrag van de inwoner meer dan [aantal jaar] geleden heeft plaatsgevonden.

8.2.3      Ingangsdatum en periode verlaging

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

  1. De gemeente verlaagt de uitkering vanaf de kalendermaand na de maand waarin de gemeente het besluit tot verlaging aan de inwoner per brief bekend heeft gemaakt. Het is mogelijk dat de verlaging al in dezelfde maand of over eerdere maanden wordt toegepast. Dat kan als de uitkering voor die maand(en) nog niet is uitbetaald.
  2. Soms kan de gemeente de uitkering niet of maar voor een deel verlagen omdat deze wordt beëindigd. Dan zal de gemeente het overgebleven deel van de verlaging alsnog opleggen als de inwoner binnen [tijdvak] na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen.

8.2.4      Berekening verlaging

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

  1. De verlaging is een percentage van de uitkeringsnorm die van toepassing is op de inwoner.
  2. Als de inwoner maandelijks bijzondere bijstand ontvangt, kan de gemeente de bijzondere bijstand verlagen met een percentage van de bijzondere bijstand. Gaat het om eenmalige bijzondere bijstand, dan kan de gemeente die bijstand weigeren als de bijstand nodig is vanwege verwijtbaar gedrag van de inwoner.

8.2.5      Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen

[PW, Awb]

  1. De gemeente verlaagt de uitkering een maand als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet voldoende nakomt. Die verlaging is 100% van de uitkeringsnorm.
  2. De verlaging wordt in gelijke stukken verdeeld over de maand van oplegging en de twee daaropvolgende kalendermaanden, als er volgens de gemeente sprake is van bijzondere omstandigheden.

8.2.6      Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

  1. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met [percentage]% van de uitkeringssnorm, voor het volgende gedrag:
    1. het niet voldoende proberen werk te vinden;
    2. het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak;
    3. het niet voldoende meewerken aan het afleggen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b van de Participatiewet;
    4. het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie;
    5. bij de inwoner die alleenstaande ouder is: het uit houding en gedrag laten blijken geen gebruik te willen maken van een voorziening bedoeld om de kans op werk te vergroten, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet.
  2. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met [percentage]% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
    1. het niet voldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening;
    2. het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken;
    3. het niet aannemen van aangeboden werk;
    4. het niet behouden van werk.

8.2.7      Stoppen verlaging

[PW, Awb]

De gemeente kan de verlaging stoppen (niet uitvoeren) als uit houding en gedrag van de inwoner overduidelijk blijkt dat hij alsnog de arbeidsverplichtingen nakomt. De inwoner moet de gemeente zelf verzoeken om de verlaging te stoppen. Hij moet het verzoek per brief of e-mail hebben ingediend binnen [termijn] nadat het besluit om de uitkering te verlagen is genomen.

8.2.8      Te weinig besef van verantwoordelijkheid

[PW, Awb]

  1. De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich te weinig realiseert dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente daardoor onterecht heeft uitbetaald (benadelingsbedrag).
  2. De verlaging duurt [termijn] en wordt vastgesteld op:
    1. [percentage]% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag tot € [bedrag];
    2. [percentage]% van de uitkeringsnorm bij een benadelingsbedrag vanaf € [bedrag].

8.2.9      Onacceptabel gedrag

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich onacceptabel gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt [termijn] verlaagd met [percentage]% van de uitkeringsnorm.

8.2.10    Niet nakomen van andere verplichtingen

[PW, Awb]

De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die een opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet voldoende nakomt.

  1. De verlaging is [percentage]% van de uitkeringsnorm voor [termijn] als het gaat om:
    1. verplichtingen die gericht zijn op werk;
    2. verplichtingen in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt;
    3. een opgelegde verplichting om een noodzakelijke medische behandeling te volgen;
    4. verplichtingen die zijn gericht op vermindering van de bijstand.
  2. De verlaging is [percentage]% van de uitkeringsnorm voor [termijn] als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op beëindiging van de bijstand.

8.2.11    Samenloop van gedragingen

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

  1. Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet nakomt, leidt tot één verlaging. De grootste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan, en ook de duur die bij die verlaging hoort.
  2. Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of – als dat niet mogelijk is – na elkaar opgelegd.

8.2.12    Herhaling (recidive)

[PW, IOAW, IOAZ, Awb]

De duur van de verlaging wordt verdubbeld als de uitkering binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee de verlaging is opgelegd opnieuw wordt verlaagd. De duur wordt ook verdubbeld als de gemeente de eerdere verlaging vanwege dringende redenen van de inwoner heeft vastgesteld op € 0,- (nihil).

8.3    Terugvorderen uitkering

8.3.1    Terugvordering en incasso

[PW, IOAW, IOAZ]

  1. De gemeente vordert gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven en doet dat volgens de regels van de wet. De gemeente vordert niet terug als terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de inwoner.
  2. Bij een klein bedrag kan de gemeente besluiten om dit niet terug te vorderen, als dit te veel tijd en geld kost. De gemeente vordert een klein bedrag wél terug als er te veel uitkering is betaald omdat de inwoner onvoldoende informatie heeft gegeven aan de gemeente.
  3. Bij de incasso zorgt de gemeente ervoor dat inwoners een inkomen blijven houden dat past bij hun persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan of hoger dan de beslagvrije voet.

8.4   Beëindigen en terugvorderen voorziening

8.4.1    Beëindiging voorziening

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs]

  1. De gemeente kan een voorziening beëindigen als:
    1. de voorziening niet langer passend of nodig is;
    2. de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;
    3. de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner;
    4. de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening;
    5. de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld;
    6. de inwoner niet binnen [termijn] gebruik heeft gemaakt van de voorziening, tenzij hem dat niet te verwijten is.
  2. De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken).

8.4.2  Terugvordering voorziening

[Wmo, PW, Burgerlijk Wetboek]

De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 8.2.1.

8.5  Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?

8.5.1      Controle

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]

  1. De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening en of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van:
    1. huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet;
    2. heimelijke waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurtonderzoek of camera-observaties;
    3. bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten;
    4. signalen en tips van organisaties of particulieren;
    5. andere passende onderzoeksmethoden.
  2. De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt.
  3. Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd.
  4. Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.

8.5.2      Voorkomen van fraude

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]

De gemeente streeft ernaar om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.

8.5.3      Beleidsplan en beleidsverslag

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]

  1. De gemeente stelt jaarlijks een beleidsplan vast. In dat plan legt de gemeente vast hoe zij fraudebestrijding aanpakt en ervoor zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving).
  2. In het beleidsplan staat in ieder geval:
    1. wat de gemeente precies met fraudepreventie bedoelt;
    2. wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over rechten en plichten (voorlichting);
    3. welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en
    4. hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan.
  3. De gemeente stelt na afloop van ieder kalenderjaar een beleidsverslag vast. Daarin beschrijft de gemeente of de gestelde doelen voor dat jaar zijn behaald en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd.

8.5.4      Privacy

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]

  1. De gemeente stelt voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast protocollen op. Het gaat in ieder geval om protocollen voor de inzet van:
    1. huisbezoeken
    2. buurtonderzoeken
    3. [aanvullen]

De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privé-leven van inwoners plaatsvindt. De gemeente maakt de protocollen openbaar bekend.

  1. Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privé-leven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.

8.5.5      Toezichthouders

[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Awb]

De gemeente wijst een of meer ambtenaren aan die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.

Heeft u interesse in de Omgekeerde Modelverordening op maat voor uw gemeente?

Neem nu contact op met

Evelien Meester

Evelien is Teammanager Juridische Facilitering en Vakbekwaamheid en specialist op het terrein van de Participatiewet.

Annemieke Wildenburg

Annemieke is onze specialist in publieksinformatie. Zij maakt ingewikkelde onderwerpen uit het sociaal domein voor iedereen begrijpelijk.

Wilt u de volledige Omgekeerde Modelverordening lezen?