Het 2e lid bepaalt dat van een melding sprake is als de naam, adres en woonplaats van de betrokkene zijn geregistreerd en deze in staat is gesteld een aanvraag in te dienen bij het UWV. Het indienen van een aanvraag begint dus altijd met een melding.

In de praktijk verwijzen de meeste gemeenten een betrokkene naar werk.nl. Een betrokkene vult vervolgens online een uitgebreid formulier in. Naast gegevens als naam, adres en woonplaats vult de betrokkene ook de woon-, leef-, inkomens- en vermogenssituatie in. Naar het oordeel van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is een dergelijk formulier aan te merken als een aanvraag om bijstand. Een verzoek om bijstand via werk.nl dient dus te worden beschouwd als een aanvraag (ECLI:NL:CRVB:2016:4467). Dit is strijdig met de werkwijze die veel gemeenten hanteren; gemeenten gaan vaak pas uit van een aanvraag, op het moment dat ze een getekend aanvraagformulier ontvangen. De uitspraak van de Raad kan daarom grote consequenties hebben voor de uitvoeringspraktijk.

De uitspraak houdt ook in dat de beslistermijn begint te lopen vanaf het moment dat er een verzoek is gedaan via werk.nl. Aangezien het verzoek van werk.nl vaak niet direct bij een klantmanager terechtkomt, is voor de klantmanager de daadwerkelijke beslistermijn dus meestal korter dan de voorgeschreven 8 weken. Er dient bovendien ambtshalve een voorschot te worden verstrekt 4 weken na de datum van de aanvraag.

De vraag die overblijft is: wanneer is er in de praktijk nog sprake van een melding? Wanneer is artikel 44 PW nog wel van belang? Dit is bijvoorbeeld het geval als de betrokkene zich rechtstreeks meldt bij de gemeente met het verzoek om bijstand en de gemeente een aanvraagformulier uitreikt. In dat geval zal er daadwerkelijk sprake zijn van een meldingsdatum en een aanvraagdatum.

Zoekt u de laatste kennis en inzichten over de Participatiewet?

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina