In deel 1 van deze blog ben ik ingegaan op het tekort en wat gemeenten en jeugdhulpaanbieders kunnen doen om dit tekort terug te dringen. In deze blog ga ik verder in op de uitval onder bestaande pleeggezinnen en op wat gemeenten en jeugdhulpaanbieders kunnen doen om dit te voorkomen.

Op zoek naar een nieuwe plek

In Nederland wordt 25 tot 45 procent van alle pleegzorgplaatsingen voortijdig beëindigd. Dit betekent in de praktijk dat het pleegkind opnieuw uit huis geplaatst wordt en dat er een nieuwe plek gevonden moet worden. Naast het (extra) werk dat dit met zich meebrengt, zijn de gevolgen van een dergelijke verhuizing vaak groot voor het kind. Een verhuizing betekent namelijk weer een nieuwe plek, weer nieuwe opvoeders en soms zelfs (weer) een nieuwe school. De effecten van een verhuizing zie je dan ook vaak terug in de ontwikkeling en het gedrag van de pleegkinderen. Zo zijn er kinderen die na een verhuizing ’s nachts weer in bed plassen, moeite hebben om zich te concentreren op school of meer ruzie maken met andere kinderen. Het is daarom belangrijk dat gemeenten en jeugdhulpaanbieders er alles aan doen om pleegzorgplaatsingen in stand te houden en uitval te voorkomen. 

Belasting voor het gezin

Eén van de belangrijkste redenen dat pleeggezinnen uitvallen, is dat de belasting na verloop van tijd toch te groot blijkt. Gezinnen raken overbelast. Het is de taak van gemeenten en jeugdhulpaanbieders om pleeggezinnen te faciliteren en overbelasting te voorkomen. Maar in de praktijk blijkt dat dit in veel gevallen nog onvoldoende lukt.

Ik adviseer gemeenten en jeugdhulpaanbieders om bij de ondersteuning van pleeggezinnen beter te kijken naar de behoeften van de pleeggezinnen en de gezinsleden, en om breder te kijken naar de mogelijkheden die er zijn voor ondersteuning. Gemeenten hebben bijvoorbeeld een breed pallet aan mogelijkheden die nu nog niet altijd worden gebruikt door pleeggezinnen. Denk aan praktische ondersteuning in en rondom het huis, zoals huishoudelijke hulp (Wmo), of het vervoer van en naar school (leerlingenvervoer). Maar gemeenten kunnen pleeggezinnen ook financieel tegemoetkomen door voorzieningen uit het kindpakket (minimabeleid) in te zetten, bijvoorbeeld door een bezoek aan het zwembad, een fiets of laptop (voor school) te vergoeden.

Onvoldoende betrokken bij de hulpverlening

Verder blijkt in de praktijk dat pleeggezinnen zich vaak onvoldoende betrokken voelen bij de hulpverlening van hun pleegkind. Hierdoor voelen ze zich als opvoeder niet altijd even serieus genomen door de hulpverlening. Dit is een serieuze klacht richting de hulpverlening van mensen die zich dag en nacht inzetten voor het welbevinden en de opvoeding van pleegkinderen.

Gemeenten en jeugdhulpaanbieders moeten daarom hard aan de slag om pleeggezinnen beter te betrekken bij de hulpverlening en hun waardering laten blijken. Waardering is namelijk één van de belangrijkste redenen waarom mensen zich (blijven) inzetten voor anderen. En daar is vaak maar weinig voor nodig. Gemeenten en jeugdhulpaanbieders moeten daarom goed luisteren naar de behoeften van pleeggezinnen en hun zoveel mogelijk betrekken en faciliteren.

Pleegzorg betaalt zichzelf terug!

Door meer te investeren in pleegzorg kunnen gemeenten en jeugdhulpaanbieders voorkomen dat pleeggezinnen uitvallen. Zo kunnen meer kinderen opgroeien in een liefdevol gezin. Ook voor de gemeente is dat een voordeel. Het behoud van een pleeggezin levert namelijk een bezuiniging op het budget in het sociaal domein. Een pleegzorgplaatsing is namelijk ongeveer € 60.000 per jaar goedkoper dan een plaatsing in een residentiële instelling. Voor dat geld kunnen gemeenten heel veel ondersteuning inzetten om uitval te voorkomen.

De reden dat ik het financiële argument pas aan het einde van mijn blog benoem, is dat van mening ben dat de kosten nooit leidend mogen zijn bij de zorg voor kinderen. Maar ik weet ook dat dit argument in de praktijk heel belangrijk is.

Maatwerk leveren bij de ondersteuning van pleeggezinnen?

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina