Vraag

De vraag is feitelijk of het verschuldigde bedrag aan de rechtsbijstandsverlener moet worden overgemaakt, of dat het college bevoegd is over te gaan tot verrekening met een bestaande (terug)vordering van bijstand, waarvoor een (onherroepelijke) beschikking als bedoeld in artikel 58 of artikel 59 van de Participatiewet (PW) is afgegeven.

Antwoord

Hoewel de op deze vraag van toepassing zijnde bepalingen enigszins strijdig aan elkaar lijken te zijn, is de conclusie dat verrekening in deze situatie toch mag. Dat heeft de Centrale Raad van Beroep in enkele uitspraken bevestigd. Het gaat om al wat oudere uitspraken, maar de ervaring leert dat het goed is om de zaken eens op een rijtje te zetten:

  • In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geregeld dat het college de in bezwaar en beroep gemaakte kosten van de wederpartij moet vergoeden als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Het huidige artikel 7:15, vijfde lid Awb schrijft voor dat de vergoeding in de hier beschreven situatie moet worden overgemaakt aan de rechtsbijstandsverlener.
  • In artikel 4:93, eerste lid Awb staat dat de bevoegdheid tot verrekening alleen bestaat als dat in de betreffende wet is geregeld. Artikel 4:93 is met de vierde tranche van de Awb per 1 juli 2009 in werking getreden.
  • De PW bevat die vereiste wettelijke regeling voor verrekening. In artikel 60a, vierde lid (ingevoerd per 1 januari 2013) staat namelijk dat het college een vordering die een belanghebbende op hem heeft kan verrekenen met de vordering van het college als bedoeld in artikel 58 of 59 van de PW.
  • De verrekeningsbevoegdheid gaat vóór de verplichting tot betaling van de kostenvergoeding aan de rechtsbijstandverlener. Dat is in vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep vastgelegd. Bijvoorbeeld in deze uitspraak van 8 november 2016, waarbij het ging over de vergoeding en verrekening van de in bezwaar gemaakte kosten. De Raad overweegt daarbij onder meer dat de aanspraak op de kostenvergoeding nog altijd bij de belanghebbende ligt en dat slechts op praktische gronden is besloten om de betaling aan de rechtsbijstandverlener te verrichten. Dit leidt de Raad af uit de wetsgeschiedenis van 7:15, vijfde lid Awb, zoals dat met ingang van 1 januari 2013 luidt.

Hoe zit het dan met een proceskostenvergoeding in beroep en hoger beroep? Zoals aangegeven berust de verrekeningsbevoegdheid van artikel 60a, vierde lid PW op de in artikel 4:93, eerste lid Awb gestelde eis. Laatstgenoemd artikel is echter niet van toepassing in (hoger)beroepszaken. Dat volgt uit artikel 4:85, derde lid Awb. Hierin staat dat titel 4.4 (waarin ook artikel 4:93 is opgenomen) niet van toepassing is op verplichtingen tot betaling die bij uitspraak van de bestuursrechter zijn opgelegd.
Kan de gemeente dan toch tot verrekening overgaan? De Centrale Raad van Beroep heeft ook daarover uitspraken gedaan en is van mening dat verrekening wel mogelijk is. De Raad overweegt daarbij onder meer het volgende:

  • In de toelichting bij artikel 60a, vierde lid PW wordt de proceskostenvergoeding genoemd als een vordering van een belanghebbende op het college, die verrekend kan worden met een vordering van het college op diezelfde belanghebbende.
  • De redenen die de wetgever ertoe hebben gebracht om een wettelijke grondslag verplicht te stellen, gelden in beginsel ook voor bestuursrechtelijke geldschulden waarop titel 4.4 van de Awb niet van toepassing is.
  • Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat de wetgever ervan heeft afgezien om titel 4.4 ook te doen gelden voor verplichtingen tot betaling die bij uitspraak van de bestuursrechter zijn opgelegd. Dit is omdat de voor die schulden reeds bestaande invorderingsregeling in artikel 8:76 van de Awb als juist en toereikend is aangemerkt.

Het gaat om de volgende uitspraken:  CRvB 29-09-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3296 en CRvB 19-04-2016, ECLI:NL:CRvB:2016:1396)

Wilt u meer inzicht in de Participatiewet?

Raadpleeg Inzicht sociaal domein! Heeft u nog geen toegang? Vraag een gratis proefabonnement aan.

Conclusies en tips

  • Verrekenen van een proceskostenvergoeding met een vordering als bedoeld in artikel 58 en 59 PW is mogelijk in zowel bezwaar als in (hoger) beroep. Dit kan omdat daarvoor een expliciete regeling is opgenomen in de PW (artikel 60a, vierde lid).
  • Gebruikmaking van de verrekeningsbevoegdheid verhoogt de effectiviteit van het gemeentelijke invorderingsbeleid.
  • Om tot verrekening over te gaan hoeft de algemene betalingstermijn van zes weken, genoemd in artikel 4:87 Awb, niet afgewacht te worden.
  • Er is wel een verrekenbesluit nodig. Een besluit tot verrekening is namelijk een zogenoemd bijkomend besluit als bedoeld in artikel 4:125 Awb. Op grond van artikel 4:93, tweede lid Awb vermeldt dit besluit ten minste de hoogte van het verrekende bedrag als ook de vordering waarmee verrekend wordt.
  • Als het gaat om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten, kan het verrekenbesluit worden opgenomen in de betreffende beslissing op bezwaar.
  • Verrekening van door de bestuursrechter opgelegde proceskostenvergoedingen vereist een afzonderlijke beschikking.
  • Verrekening van proceskosten met een vordering in verband met een opgelegde boete is niet mogelijk. Artikel 60a, vierde lid PW staat alleen verrekening toe met openstaande vorderingen als bedoeld in artikel 58 en 59. Een bestuurlijke boete kan overigens wel met algemene bijstand verrekend worden (artikel 60, lid 4 PW).

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina