In de uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2017:501) oordeelt de Raad dat het netto inkomen, ook al ligt hier beslag op, het uitgangspunt is bij de vaststelling van de draagkracht in het kader van bijzondere bijstandsverlening.

In casu was er een aanvraag bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van beschermingsbewind. Het inkomen van de betrokkene was hoger dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm, maar door een beslaglegging van de Belastingdienst van bijna € 600,00 per maand, kon betrokkene feitelijk niet beschikken over dit inkomen. Betrokkene zat twee maanden later in de WSNP en in de berekening bij de WSNP bleek dat er feitelijk ruimte in het inkomen was voor de kosten van bewindvoering. De Raad oordeelde dat het feit dat de betrokkene in casu niet kon beschikken over zijn volledige inkomen, niet kan leiden tot toekenning van de bijstand. Het verstrekken van bijzondere bijstand voor de bewuste kosten zou immers impliceren dat indirect bijzondere bijstand wordt verstrekt voor schulden.

In de uitspraak wordt verwezen naar twee uitspraken. Allereerst naar de uitspraak van 24 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2318 waarin wordt geoordeeld dat het ontbreken van voldoende (reserverings)ruimte in het inkomen in verband met schulden en de daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichtingen geen bijzondere omstandigheid is die in het individuele geval het verlenen van bijstand rechtvaardigt. Ten tweede naar de uitspraak van 19 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013: BZ4769, waarin wordt geoordeeld dat ook het ontbreken van voldoende (reserverings)ruimte ten gevolge van beslag op de bijstand geen bijzondere bijstand rechtvaardigt.

Deze vaste jurisprudentie waarnaar wordt verwezen gaat dus over het ontbreken van reserveringsruimte vanwege een beslag. Dit is iets anders dan het vaststellen van de draagkracht, waarbij immers van belang is of over het inkomen kan worden beschikt. Volgens de jurisprudentielijn die de Raad tot nu toe heeft gehanteerd over het vaststellen van de draagkracht, kan er niet over het inkomen worden beschikt als er beslag op ligt. Dit volgt onder andere uit de uitspraak van 28 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8374.

Aangezien de Raad in deze uitspraak niet verwijst naar de vaste jurisprudentie over draagkracht en daar ook geen expliciete overwegingen over opneemt, lijkt het er op dat de Raad met deze uitspraak niet heeft willen afwijken van de lijn zoals deze reeds sinds 2006 wordt gehanteerd. Als de Raad een dergelijke breuk met een vaste lijn had beoogd, was het aannemelijk geweest dat de Raad daar uitdrukkelijk over had overwogen en had verwezen naar laatstgenoemde uitspraak.

Zoekt u de laatste kennis en inzichten over de Participatiewet?

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina