Zorgverzekeringswet in strijd met VN-Verdrag rechten personen met een handicap

Ik had dat vandaag. Als inwoner van Friesland heb ik vaak Omrop Fryslân aanstaan. En daar ving ik het bericht op dat een 14-jarige jongen uit Harlingen, die zegt: “sport is mijn leven”. Hij blijkt vanwege zijn handicap niet mee te kunnen doen met gymnastiek op school en ook zijn hobby’s voetbal en tennis te kunnen uitoefenen.

Beenprothese

De 14-jarige Joël de Jong is op 6-jarige leeftijd door botkanker een deel van zijn been kwijtgeraakt. Zijn been is net boven zijn knie geamputeerd. Kennelijk zijn hij en zijn z’n ouders niet bij de pakken neer gaan zitten. Hij heeft zich ontwikkeld tot een sportief type: voetbal en tennis zijn z’n sporten. Maar er is één probleem. Zijn normale prothese (die hij – zeg maar- voor het leven van alledag heeft) kan niet op tegen het geweld dat er bij sport vrijkomt. En dus gingen de prothesen om de haverklap kapot. Op maandagmorgen was er dan ook regelmatig een afspraak bij de prothesemaker om de prothese weer te repareren. Waarom? Een prothese voor dagelijks gebruik (zeker een prothese met kinderonderdelen) kan niet tegen intensief sporten. Dat werd allemaal te veel. Nu zit Joël bij zijn gymnastiekles aan de kant en heeft hij ook het voetbal en tennis moeten staken.

Fondsen de oplossing?

Joël heeft nu een beroep gedaan op het “Foppe-Fonds”, het fonds van Foppe de Haan (niet alleen in Friesland wereldberoemd) voor een sportprothese. Een sportprothese wordt niet door de zorgverzekeraar vergoed en dus moet er een beroep worden gedaan op een fonds. Goede zaak? Ik denk het niet. Ik denk dat het hier om een recht gaat.

VN-Verdrag voor de rechten van personen met een handicap

Nederland heeft dit jaar, als één van de laatste “westerse” landen, na jaren wikken en wegen, rekenen en opnieuw rekenen, dit VN-Verdrag geratificeerd. De consequentie hiervan is (artikel 4 lid 1 onder b van het VN-Verdrag) dat Nederland verplicht is “tot het nemen van alle relevante maatregelen, met inbegrip van wetgeving, teneinde bestaande wetten, voorschriften, gebruiken en praktijken aan te passen, of af te schaffen die discriminatie vormen voor personen met een handicap; ”

Huidige regels

De website van Zorginstituut Nederland is helder: “De volgende typen prothesen kunnen worden verstrekt:

  • noodprothesen;
  • definitieve of functionele prothesen;
  • sierprothesen.”

Maar er staat ook: ”Niet alle prothesen worden vergoed, complexe hulp- en aanzetstukken die zeer specifiek zijn voor het werk of voor het beoefenen van een hobby, komen niet voor vergoeding in aanmerking.”

Maar wat zegt het VN-Verdrag

Artikel 30, lid 5, onder a van het VN-Verdrag luidt: “Teneinde personen met een handicap in staat te stellen op voet van gelijkheid met anderen deel te nemen aan recreatie, vrijetijdsbesteding en sportactiviteiten, nemen Staten die Partij zijn passende maatregelen:

a. teneinde deelname van personen met een handicap aan algemene sportactiviteiten op alle niveaus zo veel mogelijk aan te moedigen en te bevorderen.”.

Nou lijkt mij dat het niet verstrekken van een sportprothese aan een 14 jarige jongen die gek is van sport precies het tegenovergestelde is van wat het VN-Verdrag van Nederland vraagt. Kortom: hier wordt gehandeld in strijd met het VN-Verdrag. Hier wordt ordinair gediscrimineerd.

Eerste een fonds, maar dan de Zorgverzekeringswet

De constatering is helder: Joël een sportprothese onthouden is directe discriminatie. Zijn leeftijdsgenoten kunnen meedoen aan gym, kunnen voetballen en tennissen, maar Joël, die de pech had botkanker te krijgen, mag aan de kant zitten. De Nederlandse Staat dient als de donder de regels aan te passen, wil ze nog serieus kunnen zeggen het VN-Verdrag, artikel 30, te respecteren. Dat kost tijd! Daarom: prima, Foppe-fonds, om nu Joël te helpen. Maar alleen deze keer. Joëls volgende sportprothese moet gewoon uit de Zorgverzekeringswet komen, zoals het hoort in een land dat na bijna 10 jaar uiteindelijk toch het VN-Verdrag heeft geratificeerd. En dat geeft verplichtingen. Want: hoeveel jongens zullen er nu een beroep doen op de Zorgverzekeringswet voor een sportprothese? Waar hebben we het over?

Bekijk de uitzending

Een avatar als ambtenaar?

Ook in de transformatie van het sociaal domein. Zo is in Chesterfield, Missouri, het eerste virtuele ziekenhuis ter wereld opgericht: het Mercy Virtual Care Center, worlds first facility dedicated to telehealth.

Het is een ziekenhuis zonder patiënten maar met toch driehonderd werknemers. Wat ze bereiken is een lager sterftecijfer op de spoedeisende hulp, eerdere en betere diagnostiek en – niet onbelangrijk – een kostenbesparing van tientallen miljoenen dollars. De medische professionals zien geen patiënten, maar bewaken achter hun computerschermen de zorg voor patiënten in 28 ziekenhuizen en zeven staten. Alle patiënten worden gegarandeerd binnen dertig minuten via een e-consult te woord gestaan. Steeds meer ziekenhuizen in Amerika sluiten contracten af met dit soort gespecialiseerde bedrijven in ‘telegeneeskunde’.

Vooruitstrevend? Het kan nog gekker. Want aan de universiteit van Zuid-Californië wordt hard gewerkt aan een applicatie om op nog grotere afstand zorg te bieden met een levensechte avatar van jouw eigen arts. De avatar kan niet alleen emoties herkennen en empathie tonen, maar heeft ook de basiskennis om symptomen te herkennen en een oplossing te bieden.

Waar blijft de virtuele ambtenaar? Snelle gegarandeerde dienstverlening, empathisch en met altijd een antwoord op je vraag? Dat moet voor 80 procent van de vragen van burgers kunnen. Als alle gemeenten van Nederland hun ICT-budget samenvoegen moet het toch mogelijk zijn om sneller dan nu door te ontwikkelen en echt te transformeren. De besparing die dat oplevert stoppen we in maatwerk, persoonlijke zorg en aandacht. Dan kost het niks meer, maar doen we het beter.

Een gemiddeld huis in 105 uur per jaar schoon en leefbaar?

Het rapport is gemaakt in opdracht van de gemeente Utrecht om hun modulaire systeem voor hulp bij het huishouden te onderbouwen. Dat was nodig na de uitspraak van de CRvB van 18 mei waarin de Raad stelde dat hun 78 uur per jaar voor een basismodule om een huis schoon te maken, niet via degelijk onderzoek onderbouwd was. De vraag is: is die onderbouwing er nu wel? Ik heb mijn twijfel.

Uitkomst

Allereerst de uitkomst. De conclusie is dat je in 78 uur op jaarbasis, dus 1,5 uur per week, een gemiddeld huis niet schoon kunt maken. Dat had de wethouder van Utrecht inmiddels ook al begrepen, zodat hij het urenaantal enkele maanden geleden naar 2 uur per week, oftewel 104 uur per jaar had opgehoogd. Zonder onderzoek, gewoon: we maken van 1,5 uur per week gewoon 2 uur per week. En wat komt er nu uit het rapport: dat is te weinig: het moet 104,9 uur per jaar zijn….. 0,9 uur per jaar meer!!! Als onderzoeker zou ik daar niet blij mee zijn. En als gemeente Utrecht ook niet. Wat een toeval, wat een geluk, we zaten er maar 0,9 uur per jaar naast…… Of niet?

Geen maatwerk

Als je het rapport doorleest getuigt het niet van maatwerk. Wat de Wmo toch moet zijn! Een voorbeeld: geconstateerd wordt dat het aantal bewoners en hun aanwezigheid, de vraag of de keuken gebruikt wordt om dagelijks te koken of niet en andere factoren een rol speelt bij de vervuiling en dus de benodigde tijd om het huis schoon te maken. En wat staat daar over? “In lijn met het beleid van de gemeente Utrecht spelen deze factoren geen rol in de kwantitatieve bepaling van de urennorm. De gemeente Utrecht gaat er in haar beleid van uit dat factoren die maken dat meer of minder tijd benodigd is elkaar (gedeeltelijk) compenseren. Wanneer dat niet zo is, kan de gemeente aanvullende maatwerkvoorzieningen toekennen om met meer ondersteuning het resultaat van een schoon en leefbaar huis te bereiken.” Dus zaken als: een klein huis met 1 bejaarde bewoner of een groot huis met een gezin met 5 kinderen spelen in eerste instantie geen rol. Maar om wat voor soort woning gaat het dan in dit rapport?

Schoonmaken van onderdelen in minuten

Het gaat om een huis dat kennelijk niet vuil wordt en het gaat om schoonmaakpersoneel dat wonderen kan verrichten. Een paar voorbeelden: het dweilen van de woonkamer kost gemiddeld 6,3 minuten. Als ik dat lees schaam ik me diep. Als ik de woonkamer dweil, heb ik die 6,3 minuten al bijna nodig om het materiaal te pakken, de speciale “emmer” met water en zeep te vullen, de speciale dweil te bevestigen, hem nat te maken en daarna het water weer weg te gooien (in de wc) en de emmer schoon te maken en op te ruimen. In de tijd die ik daaraan besteed had ik dus ook de kamer kunnen dweilen? Vergeet het maar. Zo ook als ik zie dat het stofzuigen van de slaapkamer in 4,6 minuten kan. Maar de stofzuiger moet er eerst heen. En ik moet ook in de hoekjes stofzuigen. Ik schaam me, diep, want ik red het niet in die tijd. Zeker niet als ik ook onder het bed wil stofzuigen, waar het meeste stof zich verzamelt.

Serieus of niet

Na het lezen van het rapport blijft er bij mij maar één vraag hangen: verwachten de onderzoekers en de gemeente Utrecht nu echt dat we dat rapport serieus gaan nemen? Wat te denken van de mensen in de expertgroep: hebben die ooit in hun leven wel eens schoongemaakt, bijvoorbeeld in 1,9 minuut de deur/deurpost nat afgenomen? Verwachten ze dat de Centrale Raad van Beroep onder de indruk zal zijn van deze onderbouwing, die voor iemand die zelf wel eens schoonmaakt zo onrealistisch overkomt dat je er alleen je schouders over kunt ophalen. Of zit de verklaring in het zinnetje op blz. 25: “Mogelijk doen cliënten de volgens de expertnorm noodzakelijke activiteiten dan zelf of worden deze door iemand uit hun netwerk gedaan. Zo blijft tijd over voor de hulp om deze overige activiteiten uit te voeren.” Maar: de Wmo 2015 zegt toch in artikel 2.3.2, lid 4 onder b en c dat je moet onderzoeken wat iemand nog zelf kan of via zijn netwerk kan oplossen. En artikel 2.3.5, lid 3 zegt toch dat je geen voorziening geeft als er een alternatief (zelf doen of netwerk) voor is. Ik dacht dat we het over de Wmo 2015 hadden, dus over MAATWERK. Werken met een tijd-systeem, goedgekeurd door een expertteam, dat aan de wet voorbijgaat is toch niet in lijn met de Wmo 2015?

Een onmogelijke opgave rond hulp bij het huishouden?

Gemeenten proberen te redden wat er te redden is.

Tornen aan de oude normen

Verreweg de grootste groep gemeenten heeft in het nieuwe beleid op één of andere manier getornd aan de oude normen. De oude normen lagen vast in het CIZ-protocol, zo genoemd omdat het deze naam had op het moment dat in 2007 de hulp bij het huishouden overkwam naar de gemeenten. Maar dat protocol was al veel ouder: het stamt uit de 90-er jaren van de vorige eeuw en was de weerslag van een onderzoek van het Verweij-Jonker-instituut. Deze normen zijn zo belangrijk omdat de Centrale Raad van Beroep in het verleden meerdere malen gesteld heeft dat dit acceptabele normen zijn, gebaseerd op een degelijk onderzoek.

Gemeenten zijn aan deze normen gaan tornen: door de kaasschaaf erover te halen, door met grotere tijd-kortingen te werken of door met modules te gaan werken, zoals de gemeente Utrecht.

Oordeel Centrale Raad

De Centrale Raad heeft in alle situaties geoordeeld dat er weliswaar afgeweken mag worden van de oude CIZ-normen, maar dat daar dan een onafhankelijk en zorgvuldig onderzoek aan ten grondslag moet liggen. Geen enkele gemeente kan tot nu toe voldoen aan die eis.

Onderbouwen met een onderzoek achteraf

Wat gemeenten nu gaan doen is een poging ondernemen hun nieuwe normen achteraf te onderbouwen. Zo heeft de gemeente Utrecht aan twee onderzoeksinstituten de opdracht gegeven tot een dergelijk onderzoek. De gemeente Utrecht is met modules gaan werken. Een basismodule, die voor iedereen voldoende moet zijn om het huis schoon te maken. In bijzondere situaties kunnen daar nog andere modules bovenop komen. De basismodule kent een omvang van 1,5 uur per week. Bij de rechtbank stelde de vertegenwoordiger van de gemeente dat dit voldoende was, zo zei ook de uitvoerende instelling en zei het gebruikersplatform. Maar wat gebeurde daarna: de wethouder besloot daar een half uur per week aan toe te voegen. Hoe kan dat nu? Was dan toch gebleken dat die 1,5 uur per week niet voldoende was. Waar was dat op gebaseerd? En waar is op gebaseerd dat die 2 uur per week wel voldoende zijn?

Mission impossible

Het is een onmogelijke opgave, zo lijkt me, dit soort normen achteraf te gaan onderbouwen. Daar is een tweetal redenen voor:

  1. Elke gemeente heeft zo zijn eigen systeem van nieuwe normen. Gaat nu elke gemeente komen met een gedegen onderzoek dat met hun aantal uren het huis daadwerkelijk schoongemaakt kan worden? Dat veronderstelt op zijn minst dat per gemeente er een andere vorm van vervuiling is, een veronderstelling die er onder het CIZ-protocol niet was! En ook niet bestaat!
  2. Een onderzoek achteraf, toegeschreven naar een bepaald toevallig tot stand gekomen systeem, zal nooit geloofwaardig worden.

Kortom: een onderzoek op een dergelijke manier zal geen indruk maken bij de Centrale Raad van Beroep.

Een nieuw landelijk onderzoek

Waar behoefte aan bestaat is wellicht een nieuw landelijk onderzoek, zoals in de 90-er jaren. Dat onderzoek lag ten grondslag aan het CIZ-protocol. Mijns inziens heeft een dergelijk onderzoek weinig zin. Ik heb namelijk ook onderzoek gedaan: empirisch onderzoek. Ik heb mijn huis proberen schoon te maken volgens de normen van het CIZ-protocol. Toegegeven, ik heb niet een seniorenwoning. Maar dat hebben veel gehandicapte burgers met mij niet. Maar mijn woning schoonmaken volgens de CIZ-normen was stevig aanpoten, om tot de conclusie te komen dat het niet lukte. En ik heb hard gewerkt. Ik ben heel benieuwd naar de uitkomsten van al die onderzoeken en de vraag of ze ook empirisch zijn onderbouwd! Door de onderzoekers?

Waarom in Wmo een beschikking sturen?

Bureaucratie tegengaan is een heel goede zaak, maar geldt dat ook voor het achterwege laten van beschikkingen?

De geschiedenis herhaalt zich

Het is niet de eerste keer dat deze discussie gevoerd wordt. De vorige keer was eind jaren 90 toen de RIO’s waren opgericht om de AWBZ onafhankelijk, objectief en integraal te indiceren. Een indicatie was een besluit, om precies te zijn een beschikking en daar staat dan weer bezwaar en beroep tegen open. Met in de AWBZ in bezwaar de extra stap van het verplichte advies bij (nu, voor de Wet langdurige zorg) het Zorginstituut. Een extra stap die extra tijd kost. Toen gingen veel stemmen op om de beschikking af te schaffen en net als instellingen voor thuiszorg (waar een deel van het RIO personeel vandaan kwam) te werken met een klachtenregeling. Dat kon niet: de AWBZ sprak van een besluit, daar hoort een beschikking bij.

Wmo-situatie

Dat geldt ook voor de Wmo. Ook daarin is geregeld dat als er een aanvraag wordt ingediend (en ook dat is in de wet geregeld) er een beschikking moet komen. Artikel 2.3.5 regelt dit in lid 1: op een aanvraag moet het college van burgemeester en wethouders beslissen en lid 2 zegt dan dat het college een beschikking afgeeft binnen 2 weken na ontvangst van een aanvraag. Dat betekent concreet dat als er een aanvraag binnenkomt, er bij wet bepaald een beschikking moet komen.

Belang beschikking

Dat is niet de enige reden dat er een beschikking moet komen. Een beschikking geeft burgers rechtsbescherming. Alleen met een beschikking kan je in bezwaar en beroep gaan, kan je de gemeente vragen het besluit nog eens te heroverwegen, en kan je als je het alsnog niet met de gemeente eens bent, de onafhankelijke rechter vragen daar naar te kijken. En dat kan dan ook nog bij de hoogste rechter. Zonder beschikking staan die mogelijkheden niet open. Dus heb je als burger minder rechtsbescherming.

Noodzaak rechtsbescherming

Die rechtsbescherming is hard nodig. Dat hebben we de afgelopen anderhalf jaar kunnen zien aan gemeenten die hulp bij het huishouden hebben afgeschaft. Nu konden burgers die dit betrof naar de rechter stappen en heeft de hoogste rechter kunnen bepalen dat wat gemeenten hadden gedaan in strijd was met de wet. Het lijkt erg onwaarschijnlijk dat bij een (interne) klachtenprocedure dezelfde uitslag was gevolgd, want een klachtregeling geldt alleen binnen één of meerdere gemeenten, terwijl jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep voor alle gemeenten geldt!

Zijn er alternatieven?

Ja, er zijn alternatieven. Maar het hangt af van het waarom van het zoeken naar alternatieven. Uitgangspunt zal immers moeten zijn een zo goed mogelijke rechtsbescherming van de (in dit geval gehandicapte) burgers. En mag niet het vrij van obstakels maken van het werkveld voor gemeenten zijn. Want als je rechtsbescherming ziet als obstakel om het gewenste beleid uit te kunnen voeren, kan je terecht vraagtekens zetten bij dat beleid. Er wordt gestudeerd op alternatieven en die zullen er ook wel komen. Maar dat mag nooit ten koste van de kwaliteit van rechtsbescherming van de burgers gaan.

Wat kunnen gemeenten intussen?

Gemeenten kunnen veel doen. Zij kunnen de beschikking volstrekt begrijpelijk voor de burgers maken. Zeker in de Wmo 2015 liggen in de wet nauwelijks formele afwijzingsgronden. Het noemen van artikelen van de wet hoeft in het kader van de Wmo 2015 niet. Of het moet artikel 2.3.2 zijn dat voorschrijft waar het college onderzoek naar moet doen. Door in een beschikking “gewoon” op te schrijven wat er onderzocht is en wat daar uit komt (bijvoorbeeld: we hebben gekeken of er huisgenoten of mantelzorgers zijn die deze taken van u over kunnen nemen en daaruit is gebleken dat…..) is er zelfs geen verwijzing nodig. Maar als je dat wil kan dat heel simpel door te zeggen: wij hebben onderzoek gedaan zoals de Wmo dat in artikel 2.3.2 zegt dat het moet. En dan als service dat artikel in een bijlage meesturen. Ik ben er overigens van overtuigd dat geen rechter er over zal vallen als wel alles keurig is gedaan maar de verwijzing niet plaatsvindt! Verder kunnen gemeenten een afwijzende beschikking persoonlijk gaan afleveren, met uitleg waarom een besluit is genomen. Dat kost tijd, maar uit ervaring blijkt dat er minder bezwaar en beroep volgt. Dat spaart tijd. Want als je een goed afwijzend besluit neemt, moet je dat uit kunnen leggen. En uitleg is dan vaak voldoende om burgers van het redelijke te overtuigen, ook al zijn ze het er niet mee eens!

Mag resultaatgericht indiceren of is dat taboe?

Of misschien zeg ik het verkeerd: is resultaatgericht aanbesteden in, hoort daar resultaatgericht indiceren bij en gaan gemeenten dus – zonder nadenken – over op resultaatgericht indiceren.

Resultaatgericht aanbesteden

Het grote voordeel van resultaatgericht aanbesteden is dat een gemeente lijkt te kunnen volstaan met een vast bedrag. Niet meer ‘uurtje-factuurtje’ maar een lump-sum waar de instelling zich mee moet redden. Dat heeft voordelen voor gemeenten en je kunt er mee bezuinigen. Dus koos een aantal gemeenten voor resultaatgericht aanbesteden en in de lijn daarmee resultaatgericht indiceren; de gemeente kende het resultaat toe: een schoon en leefbaar huis. De instelling kreeg een vooraf vastgestelde zak geld en de taak met de klant af te spreken hoe het schone en leefbare huis werd gerealiseerd. Instellingen dachten nog in uren. Deelden het bedrag door het uurtarief en dat bedrag door het aantal klanten. Resultaat: een gemiddeld aantal uren per klant. En het gesprek over een schoon en leefbaar huis werd zo een mededeling: we hebben nog zoveel uren voor u.

Ontevreden klanten

Cliënten denken in uren. Zij hadden eerst 4 uur, kregen nu nog 2 uur. Zij gingen naar de rechter. Noch gemeenten, noch instellingen, konden uitleggen hoe het nu precies zat. En dus kregen de klanten gelijk. Tot aan de hoogste rechter. Beleid dat je niet uit kunt leggen kan geen goed beleid zijn!

Het onechte resultaatgericht indiceren

Maar door al dat gedoe kreeg het resultaatgericht indiceren een slechte naam. Resultaatgericht indiceren zou bedoeld zijn om te bezuinigen. Maar het echte resultaatgerichte indiceren is dat niet. Dat is gericht op het geven van elke gehandicapte burger wat hij nodig heeft zonder dat het te duur wordt. Dat is echt iets anders dan bezuinigen!

De rechter heeft inmiddels gesproken. Resultaatgericht indiceren “mist een duidelijke maatstaf”. Maatstaf betekent: norm voor de beoordeling. Dat klopt helemaal. Iedereen wil wel een schoon en leefbaar huis, maar als dat betekent dat je nog maar de helft van de uren krijgt die je kreeg, wordt dat wel heel erg ongeloofwaardig. Dat is ook geen beoordeling, maar ordinaire bezuiniging!

Het echte resultaatgerichte indiceren

Hoe ziet dan het echte resultaatgerichte indiceren er uit? Het geeft concreet aan wat er gedaan moet worden om het huis schoon en leefbaar te houden. In acties. Met de frequentie waarin. Zo iets als: wekelijks stofzuigen gang, woonkamer, trap, halletje boven en slaapkamer. Tweewekelijks verschonen bedden. Wekelijks dweilen toilet, keuken en badkamer. Enzovoort.

Voordelen

Wat zijn de voordelen? Dat als alles gedaan is de hulp kan gaan. En niet haar uren vol moet maken met activiteiten die niet onder de gemeentelijke taak vallen. Zoals de grote schoonmaak, of werken in de tuin, of andere zaken die nooit de bedoeling waren. Dat spaart geld, zonder dat iemand iets te kort komt. Ja, die grote schoonmaak, die wordt niet meer gedaan. Maar dat was nooit de bedoeling, dus dat is terecht. En de tuin hoorde er al nooit bij!

Uren vermelden

De uitspraken van de Centrale Raad worden nu geïnterpreteerd alsof je ook bij resultaatgericht indiceren uren moet gaan vermelden. Mijns inziens een onjuiste interpretatie. Uren zeggen niets. Niets over wat er wordt schoongemaakt. Het resultaat, mits goed ingevuld, zegt alles over wat er wordt schoongemaakt. Of er goed wordt schoongemaakt is in beide gevallen de verantwoordelijkheid van de instelling, waar de gemeente zich voortdurend over moet laten informeren. Omdat uren niets zeggen is het nauwelijks voorstelbaar dat de hoogste rechter, de Centrale Raad, daar het hele oordeel vanaf laat hangen.

Conclusie

Gemeenten doen er dus goed aan op een correcte manier resultaatgericht te indiceren. Dan weet iedereen waar die aan toe is. En is de hoogste rechter mijns inziens tevreden. En als dan ook de instelling nog een bedrag krijgt waar de instelling van kan blijven functioneren (zonder salarissen boven dat van een minister) en de mensen op de werkvloer fatsoenlijk kan betalen, dan is hulp bij het huishouden voor de toekomst verzekerd.

Fransje en de bijstand

Een paar injecties, litertje vocht erin, extra medicijnen mee en natuurlijk een rekening van ruim 80 euro. Als ik van de bijstand had moeten rondkomen zou dat een flinke aanslag op het huishoudbudget zijn. Maar niet als Fransje een Amsterdamse kat was geweest.

Want in Amsterdam is altijd alles anders. Vanaf januari 2016 kunnen stadspashouders daar met een ziek huisdier gratis naar de dierenarts. In het belang van het welzijn van deze dieren start de gemeente daarom de pilot ‘Amsterdamse Dierenhulp aan Minima’. Het is een sympathiek initiatief, fijn voor de beestjes en hun baasjes. Het is ook fijn voor dierenartsen met een niet zo goed lopende praktijk. En het is fijn voor iedere huisdierbezitter in ons land die graag goedkoop uit wil zijn en toevallig ‘bijstandsfamilie’ in Amsterdam heeft.

Maar gaat dit de Amsterdammers in de bijstand ook helpen uit de schulden en aan het werk te komen? Natuurlijk niet, voor het oplossen van schuldenproblematiek heeft het nauwelijks betekenis. Gezinnen op bijstandsniveau komen structureel geld te kort. Onlangs werd bekend dat een op de vijf huishoudens risicovolle schulden heeft. Wat wel werkt is schulden in een vroeg stadium signaleren en goede en duidelijke voorlichting geven. Wat we nodig hebben is wetgeving die het mogelijk maakt om incassoactiviteiten tijdelijk stop te zetten zodat iemand met grote schulden wat tijd krijgt om zijn financiële zaken weer op orde te brengen.

Schuldproblematiek voorkom je niet met regelingen voor zieke huisdieren, regenkleding of nieuwe schoenzolen. Laat staan dat je het daarmee oplost. Maar de dierenwelzijnwethouder van Amsterdam verdient wel een compliment. Want dieren kunnen niet voor hun eigen belangen opkomen.

Meer halen uit samenwerking?

Begin met het overboord zetten van de verwachting van de ultieme samenwerking. Om vervolgens samen met anderen de eigen doelen dichterbij te brengen. Het probleem samenwerken biedt concrete handvatten voor iedereen die meer wil halen uit samenwerking. De bundel is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten en nader uitgewerkt met voorbeelden uit de praktijk.

Bekijk de website met daarop een foto-impressie van de dag en informatie over de workshops.
Kennismiddag Inspectie SZW

Heeft u interesse in het boek? Bestellen kan hier.

Tijd om te praten over ervaringen

Advies en alledaagse werkelijkheid

Gemeenten hebben cliëntenraden en adviesraden ingesteld om de cliënt te betrekken bij het vormen, uitvoeren en evalueren van beleid. Een cliënten- of adviesraad kan gevraagd en ongevraagd advies geven. Het cliëntenperspectief verwoorden en vertegenwoordigen is hun kerntaak.

In een eerdere column heb ik aangegeven dat advies geven niet heel eenvoudig is. Dat komt omdat de gesprekken tussen gemeenten en cliënten- of adviesraad vaak gaan over abstracte beleidsnota’s, werkwijzen en juridische verordeningen. Dat stijgt ver boven de alledaagse werkelijkheid uit van de gemiddelde cliënt van de Participatiewet, Wmo of Jeugdwet. Toch hebben zij in hun dagelijkse praktijk direct te maken met de uitvoering van dat beleid en die werkwijzen. Terecht dus om hen er júist bij te betrekken.

Aanpassen en verambtenariseren

Cliënten- en adviesraden doen er van alles aan om een volwaardige gesprekspartner voor gemeenten te zijn. De raden in het land worden voor het grootste deel bemenst door betrokken vertegenwoordigers van cliënten: familieleden of kennissen, ex-professionals uit het werkveld of vrijwilligers bij de voedselbank, kerk of vakbond. En eerlijk gezegd: het vinden van cliënten zelf die zitting nemen in de cliëntenraad of adviesraad is moeilijk.

Die volwaardige gesprekspartner wil vroegtijdig vanuit het cliëntenperspectief kunnen meedenken met de beleidsmakers. Dat is nuttig en nodig. De keerzijde van de medaille is dat deze raden de neiging hebben om te ‘verambtenariseren’. Ze duiken in de materie en het werkterrein van ambtenaren. Ze passen zich aan de gemeente aan. Want de gemeente komt met adviesvragen als: ‘Wat is jullie advies voor de beleidsregels Wmo?’of ‘Wat vinden jullie van deze verordening re-integratie?’

Veel tijd voor beleid

Het vraagt veel van een cliënten- of adviesraad om een gedegen advies te geven aan de gemeente. Om meningen en bevindingen te verwoorden in een samenhangende adviesbrief. Deze tijd gaat vaak ten koste van de tijd die genomen wordt om met cliënten in gesprek te zijn. Dan komt het soms zover dat cliënten- of adviesraden zich afvragen waar ze de cliënten moeten vinden die mee willen praten en denken. En dan is de balans zoek: er wordt veel meer tijd besteed aan de beleidsmakers, dan aan de mensen waar het om gaat. De cliënten- of adviesraden komt daarmee te weinig toe aan hun kerntaak.

Omgekeerd denken

Tijd om de zaak eens om te keren: wat nu als juist de gemeente probeert om de volwaardige gesprekspartner te zijn voor cliënten- en adviesraden? Dat begint eigenlijk heel eenvoudig: door het stellen van andere vragen.

Geen vragen over kant-en-klare beleidsnota’s en verordeningen, maar vragen over ervaringen en belevenissen van cliënten: ‘Waar lopen cliënten tegenaan als ze bij ons een Wmo voorziening aanvragen?’, ‘Wat ervaren de mensen die bij ons in een re-integratietraject zitten?’. Dat levert een interessanter gesprek en meer informatie op. En het staat dichter bij de kerntaak van de cliënten- of adviesraad.

Moet voor die gesprekken ook genoeg tijd genomen worden natuurlijk.

Methodiek  Benut ervaringen: voor cliëntenraden en gemeenten
Om ervaringen van cliënten beter te benutten heeft Stimulansz samen met de Landelijke Cliëntenraad en de Vrije Universiteit een methodiek ontwikkeld. Deze kunt u aan de hand van de website zelf toepassen. Heeft u hierbij hulp nodig? Neem dan contact op met Wilma Kuiper. 

 

SZW: samenvatting Rijksbegroting 2018

 

Verbetering koopkracht kwetsbare groepen

Er wordt een aantal maatregelen genomen om de koopkracht van kwetsbare groepen te verbeteren. De dubbele algemene heffingskorting in de bijstand wordt getemporiseerd en de zorgtoeslag en het kindgebonden budget worden verhoogd om gezinnen met lagere inkomens tegemoet te komen. Om gepensioneerden verder te ondersteunen wordt de ouderenkorting verhoogd. Voor de koopkrachtreparatie is 366 miljoen euro beschikbaar vanuit het streven naar een constante lastenontwikkeling (compensatie hogere zorgpremies). Aanvullend is 59 miljoen euro ingezet voor koopkrachtreparatie.

Beleidsthema: verbeteren van de dienstverlening

In het programma sociaal domein pakken gemeenten, Rijk (de Ministeries van V&J, BZK, VWS, SZW en OCW) en andere partijen de komende vier jaar samen uitdagingen naar aanleiding van de decentralisaties op. Het doel van de decentralisaties is dat gemeenten integraal en met maatwerk burgers kunnen ondersteunen die dat nodig hebben. Het programma sociaal domein wil dit proces verbeteren en versnellen, door ruimte voor de uitvoering en door interdepartementale aanpak. Het richt zich hierbij op het opsporen en wegnemen van barrières die concrete oplossingen in de weg staan bij complexe situaties van burgers.

Kennis van gedrag

Om de uitvoering effectief en klantgericht in te richten, helpt het als bij de vormgeving van beleid scherper rekening gehouden wordt met de doelgroepen op wie het beleid gericht is. Het toepassen van gedragswetenschappelijke inzichten bij het opstellen van beleid is een manier om dat beleid beter te laten aansluiten bij het vermogen en de beperkingen van burgers. SZW is hier actief mee bezig in de praktijk.

Het gedragsexperiment ‘naleving inlichtingenplicht Anw’ heeft aangetoond dat het sturen van een persoonlijke herinneringsbrief met het verzoek te checken hoe de eigen leefsituatie zich verhoudt tot de wettelijke regels over samenwonen, een effectieve en efficiënte interventie is om te voorkomen dat Anw-gerechtigden niet (tijdig) melden dat zij samenwonen. Dit kan financiële problemen door terugvordering bij nabestaanden worden voorkomen.

Kennis van gedrag gaat hand in hand met grondige kennis over de doelgroepen van beleid. SZW zet in 2018 in op het actief ophalen van signalen uit de samenleving en in contact komen en blijven met de doelgroepen van beleid.

Wettelijk minimumjeugdloon

Om beter aan te sluiten bij veranderende sociaal-economische en maatschappelijke ontwikkelingen en bij wat internationaal gangbaar is, is het wettelijk minimumjeugdloon verhoogd. Dit gebeurt in stappen. Vanaf 1 juli 2017 hebben werknemers vanaf 22 jaar recht op het volledige wettelijk minimumloon. Ook voor werknemers tussen 18 en 21 jaar gaat het loon omhoog. Twee jaar later, vanaf 1 juli 2019, krijgen werknemers vanaf 21 jaar recht op het volledige minimumloon en gaat het minimumjeugdloon voor werknemers van 18, 19 en 20 jaar verder omhoog.

Lage inkomensvoordeel jeugdigen

Om bedrijven te stimuleren meer jongeren aan te nemen, kunnen werkgevers vanaf 1 januari 2018 een tegemoetkoming krijgen voor jongeren van 18 tot en met 21 jaar: het jeugd-LIV (lage-inkomensvoordeel). Deze tegemoetkoming compenseert werkgevers voor de verhoging van het minimumjeugdloon. Voor werknemers van 22 jaar kunnen werkgevers een tegemoetkoming krijgen via het LIV.

Meedoen in de samenleving

Iedereen moet mee kunnen doen in de samenleving. Omdat de samenleving steeds ingewikkelder wordt, moeten we aandacht hebben voor mensen die dat zelf niet lukt. De overheid zet in op integratie en het versterken van de weerbaarheid. Om naar beste vermogen actief te participeren in en bij te dragen aan de samenleving is het nodig dat nieuwkomers de Nederlandse taal, de Nederlandse samenleving en de Nederlandse normen en waarden kennen. Zo treedt per 1 oktober 2017 de verplichting in de Wet inburgering in werking om een participatieverklaringstraject te volgen dat wordt afgesloten met de ondertekening van de participatieverklaring. Deze wetswijziging bevat voor gemeenten een wettelijke verplichting om te voorzien in maatschappelijke begeleiding.

Participatiewet, Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten

Eén van de doelstellingen van dit kabinet is om mensen met een arbeidsbeperking meer kans op werk te geven en toe te werken naar een inclusieve arbeidsmarkt. De Participatiewet, de banenafspraak om op termijn 125.000 extra werkplekken te realiseren en de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten dragen bij aan dit doel.

Werkgevers hebben in 2016 in totaal 22.554 banen ten opzichte van de nulmeting gerealiseerd voor mensen met een arbeidsbeperking. Het gaat om 18.957 banen bij de sector markt en 3.597 banen bij de sector overheid. Werkgevers in de sector markt voldoen hiermee aan de doelstelling van 14.000 banen, maar dit geldt niet voor de sector overheid (6.500 banen). Vanwege dit resultaat heeft het kabinet besloten om over te gaan tot activering van de quotumregeling voor de sector overheid

Om overheidswerkgevers de tijd te geven een inhaalslag te realiseren is besloten de daadwerkelijke heffing één jaar uit te stellen. Wel worden de resultaten over 2018 gemonitord. Ook is een breed onderzoek aangekondigd dat in kaart moet brengen hoe de quotumregeling voor de diverse onderdelen van de overheidssector in de praktijk uitwerkt. De resultaten van dit onderzoek komen medio 2018 beschikbaar.

No-riskpolis en Praktijkroute

Er is veel ingang gezet om een inclusieve arbeidsmarkt mogelijk te maken. Zo is voor alle gemeenten de uniforme no-riskpolis voor de doelgroep banenafspraak en beschut werk ook vanaf 2021 beschikbaar en is sinds 1 januari 2017 de Praktijkroute ingevoerd als extra toegangsroute tot de doelgroep van de banenafspraak.

Beschut werk

Ook is sinds 1 januari 2017 de wetgeving voor beschut werk aangepast. Vanaf die datum kunnen mensen zelf een advies beschut werk bij het UWV aanvragen en zijn gemeenten verplicht om bij een positief advies een beschutte werkplek aan te bieden. Deze verplichting geldt tot het aantal plekken is bereikt dat een gemeente volgens een ministeriële regeling jaarlijks moet realiseren. Sinds de wetswijziging neemt het aantal beschutte werkplekken toe.

In heel 2016 heeft het UWV 388 positieve adviezen afgegeven, eind 2016 werken ca. 140 personen in een beschutte werkomgeving. In de eerste helft van 2017 gaf het UWV 758 positieve adviezen af, die deels nog omgezet moeten worden in beschutte werkplekken.

Naast deze verplichting zijn ook in 2018 extra middelen beschikbaar gesteld om gemeenten via een bonus te stimuleren om het aantal beschutte werkplekken te vergroten. De resterende middelen van de bonus beschut werk, voor plekken die niet gerealiseerd zijn, blijven beschikbaar voor gemeenten gedurende de hele looptijd van de regeling. In totaal is voor de bonus in 2018 € 16 miljoen beschikbaar.

Experimenten Participatiewet

Gemeenten kunnen een aanvraag indienen om te mogen experimenteren bij de uitvoering van de Participatiewet om in de praktijk te kunnen onderzoeken wat het beste werkt om mensen vanuit de bijstand naar werk toe te leiden. Tot nu toe zijn de volgende gemeenten aangewezen om te mogen experimenteren: Groningen in samenwerking met Ten Boer, Deventer, Nijmegen, Tilburg en Wageningen. De experimenten in deze gemeenten gaan na deze zomer van start en duren twee jaar.

Schuldhulp

Ook in 2018 zijn middelen beschikbaar voor de verbetering van de gemeentelijke schuldhulpverlening.

Met de inwerkingtreding van het Besluit breed moratorium per 1 april 2017 hebben gemeenten in het kader van de uitvoering van de schuldhulpverlening de mogelijkheid gekregen om bij de rechtbank een breed moratorium aan te vragen. Daarnaast wordt de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet uiterlijk op 1 januari 2019 geïmplementeerd. Die moet ervoor zorgen dat schuldenaren bij beslaglegging genoeg geld overhouden om in basale levensbehoeften te kunnen voorzien. Verkend wordt ook hoe een vorm van beslagvrije voet bij bankbeslag kan worden gerespecteerd.

In 2018 gaat de implementatie van de rijksincassovisie verder met als doel om met de betrokken overheidsorganisaties te komen tot een socialere incasso. De verbreding van het beslagregister wordt ook in 2018 voorbereid. Het streven is dat de eerste overheidsorganisaties kunnen aansluiten in 2019. Bovenal is de subsidieregeling armoede en schulden uitgebreid met tijdvakken in 2018 en 2019.

Kinderen en armoede

In het bijzonder is er aandacht voor het terugdringen van armoede onder kinderen. Doel is dat alle kinderen in Nederland mee kunnen doen op het gebied van sport, cultuur, school en sociale activiteiten, ook kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen. Hiervoor is met ingang van 2017 jaarlijks € 100 miljoen extra beschikbaar gesteld. Gemeenten ontvangen daarvan € 85 miljoen. De bestuurlijke afspraken die over de inzet van deze middelen zijn gemaakt met de VNG worden in 2018 geëvalueerd.

Verder kunnen partijen in Europees en Caribisch Nederland de komende jaren projecten indienen voor voorzieningen in natura voor kinderen in huishoudens met een laag inkomen. Vanuit de subsidieregeling Kansen voor alle kinderen is hiervoor jaarlijks € 4 miljoen beschikbaar voor Europees Nederland en € 1 miljoen voor Caribisch Nederland. De overige € 10 miljoen euro van het extra geld wordt besteed door de vier landelijke fondsen die met naturavoorzieningen zorgen dat kinderen kunnen sporten, aan cultuur kunnen doen, hun verjaardag kunnen vieren en op school meedoen.

 

Meer informatie

Nieuwe Sprank

We beginnen met de visie van Evelien Meester op de vraag achter de vraag. Op welk niveau luistert u meestal? Durft u zichzelf tot doel te stellen om de helft van de gesprekken op een dieper niveau te voeren?

We praten veel over het al dan niet bestaan van eigen kracht en over de ‘vraag achter de vraag’. Er wordt onderzoek naar gedaan, het bestaan van eigen kracht wordt ontkend én opgehemeld. Maar waarom deze interesse? Volgens mij omdat we mensen regie over hun eigen leven willen geven, maar moeilijk kunnen achterhalen wat ze nu echt willen en kunnen. De vraag die iedere professional zich stelt is: hoe weten we bij wie we maatwerk moeten leveren en voor wie de standaardoplossing voldoende is? Een eerste oplossing zit in luisteren op een dieper niveau. En dat gaat verder dan het bekende LSD – luisteren, samenvatten, doorvragen. Lees meer 

En verder komen er bij de helpdesks van Stimulansz maandelijks honderden vragen binnen van beleidsinhoudelijke of juridische aard. Deze keer beantwoordt Andries Terpstra vragen over naleving. Lees meer

Fraude in het sociaal domein

Wanneer is sprake van fraude in het sociaal domein en in hoeverre is er vervolgens sprake van verwijtbaarheid? In de praktijk blijkt fraude een moeilijk te duiden begrip en daarmee een lastig vraagstuk voor gemeenten.

Een aantal gemeenten verkent momenteel de mogelijkheden om met behulp van big data fraudeurs op te sporen in het sociaal domein. Zo wordt met behulp van big data en de Machine Learning-techniek voorspeld wie frauderen met een bijstandsuitkering. Hoe gaat deze methode in zijn werk en wat zijn de resultaten tot op heden? En welke rol speelt privacy daarbij? U leest erover in dit magazine. Verder leest u in deze uitgave onder andere over fraude op het gebied van begeleiding en beschermd wonen, terreinen waar grote geldbedragen in om gaan. Hoe voorkomen we dat dit geld in verkeerde handen komt?

Als het om fraude gaat is er op het gebied van samenwerking, preventie en bestrijding nog een wereld te winnen.
U leest het in het online magazine over Fraude van Sociaalweb:

Floor Bentfort van Valkenburg vertelt over Fraude in de Wmo

Gerrit van Romunde vertelt over bijstandsfraude voorspellen met big data

Herken fraude signalen tijdig

Marloes van Galen over gezamenlijke huishouding: molensteen om nek van de gemeenten?