Nieuwe privacyregels in de AVG een aanwinst of een wassen neus?

Privacy-rechten

Burgers gaan ervan uit dat u, als medewerker bij een gemeente of maatschappelijke organisatie, zorgvuldig met hun gegevens omgaat. Dat er goed is nagedacht over hoe u omgaat met persoonsgegevens. En over hoe u deze gegevens verwerkt en beschermd, maar wel zo dat burgers deze eenvoudig kunnen opvragen en inzien. En ook onjuiste of onwenselijke informatie kunnen corrigeren. Nieuw is dat burgers vanaf 2019 ook kunnen vragen hun gegevens te laten verwijderen of door te sturen naar een andere organisatie.

Gevolgen voor uw werkwijze

Dat het recht van consumenten toeneemt, daar heeft niemand iets op tegen. De bedoeling is goed, maar de vraag is wat dit voor gevolgen heeft voor u als medewerker bij een gemeente of maatschappelijke organisatie. Wat zijn de gevolgen voor uw werkwijze en dienstverlening?

Aantoonbare afspraken

Als u persoonsgegevens verwerkt, krijgt uw organisatie meer verplichtingen. De nadruk ligt, meer dan nu, op het aantonen dat u zich aan de wet houdt. Op dit moment volstaat een werkwijze waarin u als hulp- en dienstverlener mondeling afspraken maakt, gewoon in een gesprek. Mondelinge afspraken zijn rechtsgeldig, maar niet aantoonbaar. Daar brengt de AVG binnenkort verandering in, want u moet dan alle beslissingen vastleggen. De bewijslast van het bestaan van gemaakte afspraken ligt dus bij de gemeente. Wat verandert er nog meer voor u?

Goedkeuring

Vraagt u aan uw klant toestemming voordat u zijn of haar gegevens vastlegt? Dan bent u al goed op weg. De AVG verwacht namelijk dat u kunt aantonen dat uw klant daadwerkelijk toestemming heeft verleend. Ook moet het voor uw klant net zo makkelijk zijn om deze toestemming weer in te trekken. Het bijhouden van het verkrijgen en intrekken van toestemming vergt extra inspanning, maar u ontkomt er niet aan, het moet ergens worden vastgelegd.

Wissen van gegevens

Hetzelfde geldt voor het nieuwe recht van vergetelheid. Dat houdt in dat uw klant u kan vragen om zijn of haar persoonsgegevens te laten verwijderen uit de administratie. Krijgt u hiermee te maken, dan bent u verplicht om deze data te wissen. Uiteraard wijst u uw klant op de consequenties, want mogelijk vervalt daarmee zijn of haar recht op een bepaalde voorziening of dienst. De keuze ligt in dit geval bij de klant.

Gegevens delen

Nieuw is ook de gegevensdeling of dataportabiliteit. Dit houdt in dat u uw klant zijn of haar gegevens overhandigt en de klant deze vervolgens kan doorgeven aan een andere organisatie. Dit komt voor als een klant zich bijvoorbeeld wil uitschrijven bij de ene hulpverlener en zich wil inschrijven bij een andere. Een klant kan zelfs eisen dat u persoonsgegevens direct doorstuurt aan de nieuwe dienstverlener, als dit (technisch) mogelijk is. Als u dit weigert, dan kan de klant bij de Autoriteit Persoonsgegevens een klacht indienen over de manier waarop u met zijn of haar gegevens omgaat. De Autoriteit Persoonsgegevens is dan verplicht deze klacht te behandelen en u een passende (geld)boete op te leggen.

Lust of last?

De nieuwe privacyregels geven burgers wettelijk meer mogelijkheden om de regie te houden over hun eigen persoonsgegevens. Of dit in de praktijk veel oplevert, zal de toekomst uitwijzen. Op dit moment levert het veel extra werk op voor u en uw organisatie. Als u werkt met persoonsgegevens, dan ontkomt u er niet aan om zowel uw werkwijze als de registratiesystemen waarmee u werkt, tegen het licht te houden. Daarnaast is uw werkgever verplicht een privacy-training te verzorgen voor u en uw collega’s. De AVG is geen wassen neus dus!

Gratis second opinion op uw privacybeleid

De expertise van Stimulansz ligt in het slim omgaan met informatie en informatiebeveiliging. Wij geven praktische adviezen om samen met u de privacygevoelige informatie in uw organisatie aan te pakken. Heeft uw organisatie al een privacybeleid geformuleerd? Bent u benieuwd of wij nog praktische tips voor u hebben? Neem dan contact met ons op voor een gratis kort advies over uw beleid.

Behoefte aan een second opinion op uw privacybeleid?

Zijn de budgetten ook te ontschotten? Natuurlijk!

In een blog van mijn collega Anitra Vink is een casus uitgewerkt waarbij wordt gepleit voor 1 budget sociaal domein om zo bij te dragen aan ontschotting.

Maar kan en mag een gemeente het budget voor het sociaal domein ontschotten?

Het antwoord daarop is heel duidelijk: ja, dat kan en mag. Het grootste gedeelte van de inkomsten voor het sociaal domein ontvangen gemeenten uit algemene uitkering (tot 2019 uit de intergratie-uitkering sociaal domein (IUSD)) en in de specifieke uitkering voor de BUIG. Voor zowel de algemene uitkeringen als de BUIG uitkering geldt dat ze vrij besteedbaar zijn en er geen verantwoording hoeft te worden afgelegd aan het Rijk. Gemeenten zijn vrij in de besteding van deze middelen. Dit wordt onderschreven door het Rijk, zie daarvoor de brief die minister Plasterk aan Tweede Kamer heeft gestuurd in november 2016.

Met deze vrijheid is het mogelijk om één budget voor het sociaal domein te maken en financiële schotten weg te halen. De gemeente Rheden is één van de gemeenten die ervoor heeft gekozen om de integratie-uitkering sociaal domein te beschouwen als onderdeel van de algemene uitkering. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt tussen deze twee financiële stromen. Mee- of tegenvallers in het sociaal domein komen dan ten goede of ten laste van de algemene middelen. Vanaf 2019 is dit de werkwijze voor alle gemeenten, de IUSD gaat dan over naar de algemene uitkering. Het onderscheid vervalt dan automatisch.

Eén budget voor het sociaal domein. Is dat nog wel te beheersen?

Het budget voor het sociaal domein is voor alle gemeenten een grote kostenpost in de begroting. Door er één budget van te maken, bestaat het risico dat dit budget niet meer goed te beheersen is. Dit is bijvoorbeeld op te lossen door één hoofdverantwoordelijke te benoemen voor het totaalbudget voor het sociaal domein. Het totaalbudget kan prima in delen worden opgeknipt en verdeeld worden over afdelingen, budgethouders en/ of projectleiders. Waar het hier vooral om gaat is om de koppeling los te laten tussen de inkomsten uit algemene uitkering en de specifieke uitkering aan de ene kant en de uitgaven in het sociaal domen aan de andere.

Zijn budgetten ook te ontschotten als een gemeenschappelijke regeling een taak voor de gemeente uitvoert?

Binnen het sociaal domein komt het vaak voor dat een gemeenschappelijke regeling een taak namens een aantal gemeenten voor zijn rekening neemt. Bijvoorbeeld een regionale sociale dienst die de inkomensregelingen uitvoert. Ook hier kan het budget worden ontschot door het niet het label inkomensvoorziening mee te geven, maar het als algemene middelen te bestempelen. Dat geeft de gemeenschappelijke regeling meer mogelijkheden om cliënten te ondersteunen met een passende voorziening.

Het geld is op!

Er duikt weleens een bericht op in media van een gemeente dat het geld voor het sociaal domein, de Wmo of de Jeugdzorg op is en dat er een wachtlijst moeten worden ingesteld. Cliënten komen pas in het nieuwe jaar, als er weer budget is, in aanmerking voor een voorziening. Wat de gemeente hier bedoelt is niet dat het geld op is, maar dat er te weinig geld vanuit het Rijk naar de betreffende gemeente komt voor deze specifieke taak in het sociaal domein. Beter is het om niet de inkomsten als uitgangspunt voor de uitgaven te nemen. De gemeente kan zelf voorafgaand aan het jaar beoordelen wat er nodig is en een bijbehorend budget beschikbaar stellen. Dat kan op basis van de verwachte instroom van bijstandscliënten, op basis van het aantal huidige jeugdzorgcliënten, etc. Daarmee kan de gemeente beter op hogere (of lagere) cliëntenaantallen inspelen.

Maar het risico op een tekort blijft bestaan. Bijna alle voorzieningen in het sociaal domein zijn regelingen met een open einde. Hierbij is vooraf nooit met zekerheid te zeggen of het budget voldoende is. Maar zelf een goede inschatting maken van het benodigde budget is altijd nog beter dan te vertrouwen op de verdeling door het Rijk via een integratie- of specifieke uitkering op basis van allerlei maatstaven.

Meer weten over de financiën bij een gemeente?

Het financiële proces binnen de gemeente en specifiek binnen het sociaal domein is complex. Voor een  beleidsmedewerker, leidinggevende of projectleider is het niet eenvoudig daarbinnen te sturen. Goed inzicht in de financiële stromen en financiële processen kan u daarbij helpen.

Op donderdag 7 maart wordt  de Workshop financiën in het sociaal domein van Stimulansz gegeven. Deze workshop geeft u inzicht en tools voor meer grip op het complexe financiële proces binnen het sociaal domein. Meld u nu aan via deze link!

Wat vonden de bezoekers van de Proeverij?

Wat als het even niet meer gaat? Tandemregie biedt uitkomst!

Keuzes maken en iets zelf kunnen

Om grip te krijgen op je eigen leven is het van groot belang om zelf keuzes te kunnen maken en zelf de regie te nemen. Daarom ligt in de Jeugdwet, Participatiewet, Wmo 2015 en in andere sociale wet- en regelgeving de nadruk op de ‘eigen kracht’ van mensen: de overheid vindt het belangrijk dat iedereen zo veel mogelijk voor zichzelf kan zorgen.

Goed beschouwd is de eigen kracht van veel mensen behoorlijk groot. Iedereen krijgt in zijn leven met problemen te maken en veel mensen slagen erin om deze op te lossen. Al dan niet met hulp.

Opeenstapeling van problemen

Als er meerdere problemen zijn, wordt het voor veel mensen lastig. Externe hulp is nodig, van de eigen omgeving of van professionals. Als  vervolgens de problemen op elkaar inhaken, dan lijkt het vaak een onoplosbare puzzel. Dan is er geen overzicht meer en kan iemand niet meer de juiste keuzes maken. Regie ontbreekt en de eigen kracht wordt misschien verkeerd ingezet. Dan is diegene gebaat bij een professional die helpt om weer grip op de situatie te krijgen. Een professional die een tandem  met diegene om de complexe situatie te verbeteren.

Cliënt en professional voeren dan (meestal tijdelijk) samen de regie. We noemen dit tandemregie. De cliënt heeft daarbij (zoveel als mogelijk) de leiding. De professional  kan adviseren over de route, kan meetrappen om de voortgang erin te houden, etc. De professional moet dus steeds opnieuw  naar de juiste balans zoeken: wat kan en wil de cliënt zelf en wat zijn (vooralsnog) z’n beperkingen?

Een subtiel spel van verbinden

Tandemregie vraagt van de professional een subtiel spel van verbinden. Verbinding tussen cliënt en professional, tussen professionals onderling, etc. Teveel  verbinding belemmert de eigen regie en zelfbeschikking en ontkracht de cliënt. Door te weinig verbinding  verbetert  het zicht van de cliënt op de situatie niet.

Om de cliënt optimaal te versterken is het noodzakelijk om in enkele fasen te werken aan zelfregie en eigen verantwoordelijkheid. Daarbij is het belangrijk om aandacht te geven aan het versterken van competenties, aan motivatie en aan het vermogen tot zelfregulatie. En vooral ook aandacht voor optimale zelfbeschikking van de cliënt.

Idealiter gaat de cliënt uiteindelijk alleen verder fietsen en heeft hij zijn leven weer op de rit. Lukt dit niet, dan is het gewenst om langduriger een tandem te vormen.

‘Volgend jaar zomer zijn we zover’

Zulke uitspraken hoor ik regelmatig. Organisaties die willen veranderen, hebben vaak een plan en een projectgroep en het idee dat daarmee alles goed komt. Maar de realiteit blijkt weerbarstig. Herkenbaar?

Leerhouding

De eerste stap is om een leerhouding te bevorderen. Van onze medewerkers verwachten we dat ze nieuwe dingen leren. Maar in de praktijk wordt dit vaak belemmerd door bijvoorbeeld volle agenda’s, procedures en behoefte aan controle. Kortom: leren is niet vanzelfsprekend. Het is dus van belang om leercapaciteiten te ontwikkelen. Deze capaciteiten stellen ons in staat te leren en te veranderen. Ze zijn een voorwaarde voor een lerende organisatie. Medewerkers met leercapaciteiten treden buiten de gebaande paden, oefenen nieuwe dingen en rekken hun durf op.

Hoe bevorder je een leerhouding en leercapaciteiten?

  1. Aanmoedigen: stimuleer leren in welke vorm dan ook. Door nieuwe ervaringen leren medewerkers weer te leren en ontstaat ruimte voor nieuwe dingen.
  2. Vragen stellen: werk aan bewustwording. Door zelf vragen te stellen en medewerkers aan te moedigen dat ook te doen, ontstaan leerzame gesprekken en een gedeelde verantwoordelijkheid.
  3. Bekrachtigen: beloon en prijs elkaar. Deel ervaringen. Toon interesse in de stappen die iemand zet. Dat geeft nieuwe energie voor volgende stappen.
  4. Leiderschap: practice what you preach. Als je wilt dat medewerkers leren, moet je als leider ook laten zien dat je leert. Het is belangrijk dat je daarin nadrukkelijk het voorbeeld geeft en het team aanmoedigt hetzelfde te doen. En leer dus ook van je mensen.

Tijd en energie

Het kost tijd en energie om het leervermogen te versterken. En misschien houden we het daarom wel vaak liever bij het projectplan. Ik gun jou en je medewerkers momenten waarbij creatieve banen in het bewustzijn ontstaan. Dat schept ruimte om ook op andere terreinen stappen te zetten.

 

 

De kunst van het delen voor intern controleurs

Er zit nog wel eens een kloof tussen beleid en uitvoering, waardoor het in die uitvoering niet lekker loopt. Het denken vanuit risico’s zit ook niet bij iedereen tussen de oren.

Het wiel uitvinden

Het sociaal domein is steeds in beweging. Dit geldt ook voor het toezicht op de kwaliteit en op de rechtmatigheid. Soms loop je tegen zaken aan waarvan je denkt: hoe los ik dit op?

Ik denk hier bijvoorbeeld aan de casus van de vaststelling van de levering van zorg bij PGB. Dat betreft dan zowel Wmo als Jeugd. Vanuit rechtmatigheid (=accountantscontrole) is dit momenteel een heikel punt. Het gaat erom dat u als gemeente vaststelt of de zorg is geleverd conform de afgegeven indicatie c.q. het besluit. Beleidsmatig is daar in eerste instantie weinig over vastgelegd, de uitvoering geeft indicaties af en betaalt. Maar wie, wanneer en hoe bepaal je de levering van de zorg? Daartoe kun je meerdere vragen stellen:

  • Hoe stelt u eigenlijk vast dat de zorg daadwerkelijk is geleverd?
  • Wat moet u dan precies onderzoeken en op welke wijze?
  • Doet u dat integraal of kan dat met een steekproef?
  • Hoe legt u de uitkomsten (het controlespoor) vast?

De werkwijze kan divers zijn. Gaat u als gemeente bij dit soort zaken en dilemma’s zelf het wiel uitvinden of gebruikt u wat anderen al hebben bedacht? Zijn er goede voorbeelden te vinden waarvan gebruik kan worden gemaakt?

Mogelijkheden

Als ik kijk naar de casus, dan zie ik meerdere mogelijkheden:

  • Bel naar cliënten met een PGB of leg een huisbezoek af. Dat kan integraal bij een gering cliëntenbestand, of via een steekproef als het bestand groot is.
  • Maak gebruik van een goede en volledige vragenlijst (=lastig!) waarbij alle antwoorden uiteindelijk resulteren in het antwoord: zorg is wel/niet geleverd of er is twijfel.
  • Leg de uitkomsten gestructureerd vast, analyseer de uitkomsten, maak een kort verslag en draag zorg voor eventueel noodzakelijke verbeteringen in de uitvoering.

Delen

Het bovenstaande is zomaar een voorbeeld van een casus waar je op verschillende manieren tegenaan kunt kijken en waarvoor meerdere oplossingen zijn. Het zou mooi zijn als u kunt sparren met een collega en samen zoekt naar oplossingen. Maar de praktijk wijst uit dat veel kwaliteitsmedewerkers en intern controleurs die mogelijkheid niet hebben.
Wellicht is de workshop ‘Breinbrekers’ dan iets voor u. U kunt hier uw eigen dilemma’s en casuïstiek naar voren brengen. Daar gaan we met elkaar over nadenken en we proberen met de groep antwoorden en oplossingen te vinden waar u mee verder kunt. Soms liggen antwoorden en oplossingen voor het oprapen.

Loopt de Participatiewet op zijn laatste benen?

Of past het in de onderscheidingsdrang van politieke partijen in verkiezingstijd en is de bijstand dan een eenvoudig slachtoffer? Terugkijkend op de afgelopen 40 jaar duurt het resultaat van een gemiddelde verbouwing voordat weer aan een nieuwe wetswijziging wordt begonnen minder dan 10 jaar. Hier gaat een traject van een jaar of  3 aan vooraf vol met discussie. Dus we kunnen ons nu maar beter voorbereiden.

Het gaat overal anders

Misschien is wel een van de grote angsten van Den Haag dat ze de grip op de Participatiewet kwijtraken. Er gebeurt namelijk van alles in het land en overal doen ze het net weer even anders. De tegenprestatie wil maar niet van de grond komen en het beschut werk is na ruim 4 jaar nog steeds niet vol op stoom. Over de Wet Taaleis durf ik het niet eens te hebben. Naast alle bezuinigingsdoelstellingen,  is het idee achter de decentralisatie dat gemeenten dichter bij de burger komen te staan en daardoor in staat zijn meer maatwerk te leveren. Met de introductie van de omgekeerde toets hebben wij aan het maatwerk ook bruikbare handvatten toegevoegd waar op steeds meer plekken invulling aan wordt gegeven. Het zou jammer zijn als de Participatiewet aan het succes van die verscheidenheid ten onder zou gaan. We hebben dat eerder gezien bij onder andere de kinderopvang en bij de zonnepanelen, waar een te gretig gebruik door het Rijk werd afgestraft met  versobering van de regelingen.

Maar hoe gaat het dan?

Alvorens direct een oordeel te hebben over wat anders moet, zou het goed zijn eens te kijken naar wat er nu daadwerkelijk in het land gebeurt om zo een beeld te krijgen van de sterk gewijzigde uitvoering. Wat zijn de ervaringen van een gemeente die besloten heeft het SW-bedrijf volledig op te heffen en alles in eigen beheer uit te voeren? Wat zijn de ervaringen van een gemeente die juist het tegendeel heeft gedaan en alles binnen 1 bedrijf heeft ondergebracht? En hoe organiseren we het beschut werk? Zo weten we al welke gemeenten veel plekken hebben gecreëerd.  Doen die wat anders dan anderen?

Platform Participatie en werk

Het platform is al jaren de plek waar de  praktijk een stem krijgt. Wat is het verhaal achter de cijfers? Wat is de achtergrond van bepaalde keuzes en hoe pakken die keuzes uit? Op 17 april 2019 zullen vertegenwoordigers van een aantal gemeenten en van Cedris  u op de hoogte brengen van de verschillende manieren waarop gemeenten de Participatiewet uitvoeren.  U krijgt uiteengezet hoe u van beschut werk een succes kunt maken. U krijgt te horen wat wel werkt en wat niet. En u krijgt te horen waarom de ene gemeente denkt meer succes te hebben om de re-integratie volledig in eigen beheer te organiseren, en de andere gemeente juist kiest voor het tegendeel. Het platform heeft geen ander belang dan het belang van de uitkeringsgerechtigden. We helpen samen de praktijk vooruit.

Loopt de Participatiewet op haar laatste benen? Die vraag is voor de politiek. Elke wet vraagt om goede dienstverlening richting de burger. Die dienstverlening is vaak niet geholpen met proefballonnen. Maar dat weet u natuurlijk allang!

Is het breed moratorium de gewenste noodstop bij problematische schulden?

Al bij de inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening wilden gemeenten een instrument om tijdens het opzetten van de schuldhulpverlening de schuldeisers tijdelijk op afstand van de schuldenaren te kunnen houden. Na jaren voorbereiding was het in 2017 zover: het breed moratorium trad in werking. Een adempauze voor mensen die diep in de schulden zitten. De schuldeisers mogen zes maanden niet incasseren en de schuldhulpverlener kan de zaken van de schuldenaar op orde brengen.

Ingewikkeld

Maar gemeenten en schuldhulpverleningsinstanties waren toch niet verheugd. Waarom niet? Omdat de regeling zeer veel voorwaarden kent en ingewikkeld is. Een paar van deze voorwaarden:

  • De schuldenaar is toegelaten tot de schuldhulpverlening.
  • De beslagvrije voet van de schuldenaar is voldoende om de vaste lasten te betalen.
  • De schuldeisers weigeren de incasso- en invorderingsmaatregelen op te schorten.
  • Het breed moratorium is echt het laatste redmiddel­. Alle andere mogelijkheden moeten zijn geprobeerd.

Afgewezen

Voor het aanvragen van een breed moratorium moet de gemeente naar de rechter.

Enkele gemeenten hebben dit geprobeerd. De rechter heeft die aanvragen afgewezen. De redenen hiervoor waren verschillend:

  • De rechter had het idee dat het doel was een ontruiming van de woning te voorkomen. Maar hiervoor is het breed moratorium niet bedoeld. Het doel van het breed moratorium is het bereiken van financiële stabiliteit.
  • De beslagvrije voet was onvoldoende om alle lopende verplichtingen te kunnen betalen. De gemeente wilde het vrij te laten bedrag als uitgangspunt nemen, maar dat staat de regeling niet toe. Bij een te lage beslagvrije voet zullen tijdens een breed moratorium nieuwe schulden ontstaan. Verder twijfelde de rechtbank aan de noodzaak. De gemeente had onvoldoende moeite gedaan om tot een aanpassing van de beslagvrije voet te komen.
  • De rechtbank vond dat niet alles was ondernomen om met de schuldeiser tot een oplossing te komen. Toen de schuldeiser het verzoekschrift ontving, wist hij pas van de schuldhulpverlening. De schuldhulpverlener had niet eerder met de schuldeiser gesproken over het opschorten van invorderingsmaatregelen. Daarmee is niet aannemelijk dat de schuldhulpverlener al het mogelijke heeft gedaan om de schuldeiser te overtuigen.

Wilt u meer inzicht in schuldhulpverlening?


Raadpleeg Inzicht sociaal domein. Heeft u nog geen toegang?  Vraag een gratis proefabonnement aan.

Noodstopknop

Tijdens het overleg in de Tweede Kamer op 14 februari jl. riep kamerlid R op een noodstopknop in te stellen om de verhogingen van de boetes bij het CJIB te voorkomen. Kamerlid L bracht daartegen in dat er al een breed moratorium is. Het weerwoord van kamerlid R luidde dat je als schuldenaar aan strenge criteria moet voldoen: “Dan kun je tegen zo iemand zeggen: meldt u zich maar bij de schuldhulpverlening – maar ondertussen gaan alle verhogingen door – en als u dan ooit in de schuldhulpverlening aangekomen bent en aan de 10 criteria van het moratorium voldoet, kunnen we gaan nadenken over een incassopauze.” Dat is te laat.

Hoe het ook kan

KPN heeft afspraken gemaakt met schuldhulpverleners om de rompslomp rond betalingsregelingen en incassoprocedures aanzienlijk te verminderen. Het stapelen van kosten wordt daarmee teruggebracht en betalingsregelingen worden sneller getroffen. Ook zal KPN incassoprocedures direct bevriezen als een schuldhulpverlener daarom vraagt. Een soort ‘noodstop’ dus.

Perspectief

In maart is een motie aangenomen waarin de Tweede Kamer de regering verzoekt, in samenwerking met gemeenten en het CJIB een ‘noodstopprocedure’ in te voeren die de verhoging van Wahv-boetes (verkeersboetes) tijdelijk stopzet als mensen die door schulden niet kunnen betalen. Hierbij moet dan gelijktijdig de schuldhulpverlening worden opgestart.

Deze procedure biedt de inwoner met schulden meer perspectief op een schuldregeling die werkelijk resultaat oplevert, dan dat het huidige breed moratorium doet. Mogelijk kan de noodstop ook voor andere wanbetalingen, bijvoorbeeld van de zorgpremie, gaan gelden. Door het eerder kunnen inzetten van de noodstop, vervallen beperkende voorwaarden en wordt het een praktisch en werkbaar instrument voor schuldhulpverleners.

30 procent niet-werkenden door ziekte belemmerd

Drie op de tien personen zonder werk gaven in 2018 aan door een langdurige ziekte, aandoening of handicap belemmerd te worden bij het verkrijgen van werk. Dat zijn ruim 1,2 miljoen personen. Verreweg de meesten, bijna 1 miljoen, voelden zich sterk belemmerd. Van de sterk-belemmerden geeft met 8 procent een relatief klein deel aan wel op zoek te zijn naar en/of beschikbaar te zijn voor werk. Dit meldt het CBS op basis van nieuwe cijfers.

In 2018 telde Nederland bijna 4,2 miljoen personen van 15 tot 75 jaar zonder betaald werk. Een deel van hen behoort tot de werkloze beroepsbevolking. Zij zijn op zoek naar werk en daarvoor ook direct beschikbaar. Het grootste deel van de niet-werkenden behoort echter tot de niet-beroepsbevolking. Van alle personen zonder werk voelde ruim 1,2 miljoen zich door een langdurige ziekte, aandoening of handicap belemmerd bij het verkrijgen van werk. Van de mensen met een belemmering voelen verreweg de meesten (955 duizend) zich sterk belemmerd. Tussen 2015 en 2018 groeide het aandeel mensen met een belemmering binnen de groep niet-werkenden van 26 naar 30 procent.

Wilt u meer inzicht in werk & participatie?

Raadpleeg Inzicht sociaal domein! Heeft u nog geen toegang? Vraag een gratis proefabonnement aan.

Relatief veel 55- tot 65-jarigen onder sterk-belemmerden

Niet-werkzame personen met een sterke arbeidsbelemmering als gevolg van een langdurige ziekte, aandoening of handicap zijn gemiddeld ouder dan niet-werkenden zonder een belemmering. Bijna een derde is 55 tot 65 jaar oud; van de niet-werkenden zonder belemmering is dat 12 procent. Het relatief grote aandeel jongeren en 65- tot 75- jarigen onder de niet-belemmerden komt mede doordat zij naast eventuele gezondheidsproblemen ook andere redenen hebben om niet te werken zoals het volgen van een opleiding of met pensioen zijn.

Sterk-belemmerden zijn gemiddeld wat lager opgeleid dan licht- en niet-belemmerden. Van de niet-werkenden die zich sterk belemmerd voelen heeft 20 procent alleen basisonderwijs afgerond, bij licht- en niet-belemmerden is dat 14 procent.

8 procent van sterk belemmerden beschikbaar voor en/of op zoek naar werk

Niet-werkenden met een sterke belemmering hebben relatief weinig binding met de arbeidsmarkt. Slechts 8 procent van hen heeft recent gezocht naar en/of was direct beschikbaar voor werk. Onder licht- en niet belemmerden is dat ongeveer 20 procent. Een klein deel van alle drie de groepen geeft aan wel te willen werken, maar heeft daar recent geen actie voor ondernomen en is hiervoor ook niet direct beschikbaar.

Het overgrote deel van de mensen zonder betaald werk wil of kan echter niet werken. Dit geldt voor 88 procent van de sterk-belemmerden. Onder niet- en licht-belemmerden ligt dit aandeel met 77 en 69 procent lager. De niet-belemmerden die niet willen of kunnen werken zijn vooral personen die niet (meer) werken vanwege hun hoge leeftijd en scholieren of studenten.

Bron: CBS

Wat is het beste vangnet: bijstand of basisinkomen?

Wie krijgt hoeveel?

De grondwet legt de overheid in artikel 20 de verplichting op om een beleid te voeren dat is gericht op de bestaanszekerheid van de bevolking en de spreiding van de welvaart. Een eerste vraag is hoe de welvaart ‘gespreid’ zou moeten worden. Dat is een ongelooflijk ingewikkelde vraag die ik graag aan de politici overlaat. Maar een algemeen uitgangspunt lijkt me helder, iedereen moet genoeg hebben om in zijn bestaan te kunnen voorzien. En die garantie op bestaanszekerheid kunnen we nooit geven als iedereen evenveel geld krijgt. Niet iedereen heeft namelijk dezelfde omstandigheden en dezelfde kosten. Waar de een meer geld kwijt is aan zijn huur omdat hij toevallig in een duurdere regio woont en werkt, is de ander meer kwijt aan eigen bijdrage voor medicijnen. Of voor reiskosten, omdat hij mantelzorg verleent aan een ouder die een stuk verderop woont. Een standaardbedrag voor iedereen creëert altijd een groep mensen voor wie dit niet goed genoeg is.

Is geld zaligmakend?

De Participatiewet is het laatste formele vangnet voor mensen die het op eigen kracht niet redden. Als mensen óók geen beroep meer kunnen doen op de Participatiewet, dan zijn ze aangewezen op particuliere initiatieven en kerkelijke instanties. Dat risico bestaat ook als de bijstand verdwijnt om plaats te maken voor een basisinkomen. Deze particuliere en kerkelijke initiatieven zijn bijzonder waardevol, maar bieden minder garanties en waarborgen dan een wettelijk vangnet. Bovendien is geld heel vaak niet het enige probleem. En wie signaleert bijkomende problemen als dit vangnet wegvalt? Wie biedt ondersteuning bij administratieve problemen of eenzaamheid? Wie helpt mensen die hun weg naar de arbeidsmarkt niet zelf vinden? Met alleen inkomen is niet iedereen geholpen. Werk (betaald of onbetaald) is voor veel mensen ook een belangrijke manier om sociale contacten te onderhouden of om zichzelf te ontplooien.

Portier in plaats van poortwachter

In plaats van een basisinkomen kunnen we de Participatiewet veel beter benutten. Hoe? Door het vangnet te voorzien van een portier. Deze portier beoordeelt iedereen die gebruik wil maken van het vangnet. Heb je geen recht? Dan kom je ook niet binnen. Het geld kan per slot van rekening maar één keer uitgegeven worden. Heb je wel recht? Dan helpt de portier je desnoods over de drempel. Want mensen die door psychische problemen of een licht verstandelijke beperking niet door de bureaucratie heen komen kunnen niet om die reden worden buitengesloten. De portier kan hulp organiseren.

Toch weer dat maatwerkinkomen

Stel nu dat mensen over de drempel van de bijstand zijn. Zou het dan niet heel praktisch zijn om direct een stap verder te kijken? Kunnen ze aanspraak maken op het minimabeleid? Hebben ze bijzondere kosten waarvoor bijzondere bijstand nodig is? Waar hebben ze verder hulp bij nodig? Het zou toch prachtig zijn als dat dan in één keer geregeld kan worden. Dat scheelt voor de aanvrager een heleboel formulieren die ingevuld moeten worden en voor de gemeente een heleboel ingevulde formulieren die afgehandeld moeten worden.

En ja, ik realiseer me dat de verplichtingen die bij de bijstand horen sommigen een doorn in het oog zijn. Maar de mogelijkheden van signaleren van problemen en het ondersteunen bij het oplossen daarvan vind ik toch ook zwaar wegen.

Wilt u meer inzicht in de Participatiewet

Raadpleeg Inzicht sociaal domein. Heeft u nog geen toegang?  Vraag een gratis proefabonnement aan.

Afbakening Wmo en Wlz

Vraag

Een cliënt heeft een Wmo melding gedaan voor een aantal maatwerkvoorzieningen. Hij heeft ook een Wlz indicatie. Ik wil onderzoeken of de cliënt voor zijn vragen onder de Wmo valt of onder de Wlz. Waar moet ik bij mijn onderzoek op letten?

Antwoord

Hier speelt een afbakeningskwestie tussen de Wmo en de Wlz. In artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 staat dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren als de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz. Dat zou heel zwart-wit kunnen worden vertaald als: iedereen met een Wlz indicatie valt niet onder de Wmo. Maar zo kort door de bocht is het niet. Bij afbakeningskwesties tussen de Wmo en de Wlz moet u een aantal zaken zorgvuldig onderzoeken. Hieronder vindt u vragen die u tenminste moet stellen om tot een goed onderbouwd besluit te komen.

Wilt u meer inzicht in de Wmo 2015?

Raadpleeg Inzicht sociaal domein. Heeft u nog geen toegang? Vraag een gratis proefabonnement aan.

Toelichting

Er is een aantal verschillende ‘smaken’ die verder in dit stuk worden uitgewerkt.

  1. Wat voor Wlz indicatie heeft de cliënt?
    U kunt het beste de cliënt vragen om een afschrift van zijn indicatiebesluit. Hierin staat welke zorg de cliënt nodig heeft. Het gaat hierbij óf om een indicatie waarbij de zorgzwaarte wordt uitgedrukt in een zorgprofiel (bij cliënten die in een instelling wonen) óf een indicatie in losse functies ( voor cliënten die thuis wonen).Een zorgprofiel kunt u zien als een taart die uit verschillende punten bestaat. Afhankelijk van de zorgbehoefte van de cliënt is een klein of een groter stuk bestemd voor persoonlijke verzorging, verpleging, behandeling, begeleiding, kortdurend verblijf en verblijf. De verschillende stukken leveren samen een compleet pakket op wat aansluit bij de zorgvraag.Bij cliënten die thuis wonen met Wlz zorg kan deze complete taart niet worden geleverd, zij nemen alleen losse stukken af. Dat is logisch omdat behandeling en verblijf er niet meer inzitten.
  2. Waar woont de cliënt?
    Relevant is dan om te weten of de cliënt intramuraal in een Wlz instelling woont of dat hij in zijn eigen leefomgeving woont.
  3. In het geval dat de cliënt in een instelling woont: ontvangt hij vanuit zijn Wlz indicatie behandeling?
    Met behandeling wordt zorg bedoeld die bijvoorbeeld door een verpleeghuisarts wordt geleverd. In die gevallen heeft de cliënt geen huisarts meer maar wordt er vanuit de instelling voor medische behandeling gezorgd. De Wlz is dan verantwoordelijk voor alle zorg en hulpmiddelen. De Wmo is er voor deze groep cliënten alleen voor vervoer.
    In het geval dat de cliënt ook in een instelling woont maar géén behandeling ontvangt en dus zijn eigen huisarts heeft, valt hij voor hulpmiddelen bij het zich verplaatsen onder de Wmo 2015. Concreet gaat dat om rolstoelen en vervoersvoorzieningen.Dit is dus een uitzondering op het eerder genoemde artikel 2.3.5. lid 6 Wmo 2015 waarin staat dat de Wlz voorliggend is op de Wmo. In artikel 8.6a Wmo 2015 staan drie uitzonderingen beschreven en één daarvan is de regel dat cliënten die géén behandeling ontvangen vanuit de instelling voor hulpmiddelen ter verbetering van hun mobiliteit onder de Wmo 2015 vallen.
  4. In het geval dat de cliënt in zijn eigen leefomgeving woont, op welke manier verzilvert hij de Wlz indicatie?
  • Op basis van een persoonsgebonden budget (pgb);
  • Op basis van een volledig pakket thuis (vpt);
  • Op basis van een modulair pakket thuis (mpt);
  • Op basis van een combinatie van een vpt en een mpt.

Het pgb
Mocht de cliënt een Wlz indicatie hebben en dit in de vorm van een pgb verzilveren, blijft de Wmo aan zet voor wat betreft woonvoorzieningen, rolstoelen en vervoersvoorzieningen. De losse functies (taartpunten) persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding worden vanuit de Wlz betaald. Ook hulp bij het huishouden zit in het pgb. De cliënt regelt zelf zijn zorgaanbieder en via de SVB vindt de uitbetaling plaats.

Het vpt
Een zorginstelling levert alle zorg aan de cliënt thuis alsof hij intramuraal woont en het Zorgkantoor betaalt de instelling rechtsreeks uit. In een ‘vpt –taart’ zitten alle zorgfuncties en ook maaltijden en huishoudelijke hulp. Mensen met een vpt wonen vaak in een aanleunwoning bij een instelling en kunnen wel een beroep op de Wmo doen voor rolstoelen, woonvoorzieningen en vervoer.

Het mpt
Dit zijn losse zorgfuncties (taartpunten) voor persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding. Ook hierbij geldt dat de Wlz verantwoordelijk is voor alle zorg én sinds 1 april 2017 ook voor hulp bij het huishouden. Voor rolstoelen, woonvoorzieningen en vervoer is de Wmo verantwoordelijk.

Als u antwoord heeft op de bovenstaande vragen, kunt u in iedere situatie bepalen of het om Wmo of Wlz zorg gaat.

Zuinig leven en bijstand

Op geld waardeerbare activiteiten

Een ander belangrijk principe is dat het verrichten van werk van belang is voor het recht op of de hoogte van de bijstand. Dit ongeacht de intentie waarmee de werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Het gaat om inkomen waarover betrokkene redelijkerwijs kan beschikken. Ook inkomen in natura wordt in aanmerking genomen (zie artikel 33 lid 1 Participatiewet).

Wilt u meer inzicht in de Participatiewet?

Raadpleeg Inzicht sociaal domein. Heeft u nog geen toegang? Vraag een gratis proefabonnement aan.

Koopjesjacht

Geld verdienen en zuinig leven zijn 2 verschillende zaken, maar ze hebben ook raakvlakken. Wie de aanbiedingen van supermarkten nauwgezet bestudeert, de koopjes afloopt en de voedselbank vaak bezoekt, verricht activiteiten die op geld te waarderen zijn. Toch zal geen redelijk denkend mens stellen dat de bijstand moet worden verrekend met het voordeel dat iemand op die manier behaalt.

Zuinigheid wordt beloond

Ook de wetgever beloont zuinigheid. De Participatiewet laat sparen tijdens de bijstandsperiode (en stijging van een vermogen daardoor) onaangetast. Ook de rente over vermogen is vrij.

Korting op contributie en servicekosten, en lagere energiekosten door zonnepanelen

Zuinigheid kent nog andere vormen, zoals:

  • het besparen op de energiekosten door aanschaf van zonnepanelen. Het komt zelfs voor dat bijstandsgerechtigden daardoor geld overhouden;
  • het verrichten van bardienst voor een (tennis)vereniging, waarvoor een contributieverlaging wordt ontvangen;
  • het verrichten van werkzaamheden in een wooncoöperatie waardoor de servicekosten lager zijn. Ik schreef daar eerder over in Sprank;
  • het uitruilen van klussen: je doet wat voor de ander en de ander doet wat voor jou.

Zijn deze besparingen vrij als onderdeel van een kostenbesparende levensstijl of moet het voordeel als inkomen in aanmerking worden genomen? En is dit casuïstiek of beleid? Dat laatste verwacht ik niet veel aan te treffen bij gemeenten. Het zijn wellicht meer spreekkamerafwegingen dan beslissingen gestoeld op beleid. Om willekeur te voorkomen is het belangrijk dat binnen een gemeente over dit soort voorbeelden hetzelfde wordt gedacht.

Een afwegingskader

Het is dus goed als voor iedereen binnen de gemeente eenzelfde afwegingskader geldt. Daarbij kunnen de volgende aspecten een rol spelen:

  • de omvang van het behaalde voordeel. De gemeente kan voor de grensbepaling aansluiting zoeken bij de maximale vrijlatingsbedragen die in artikel 31 van de Participatiewet worden genoemd. Die variëren van € 1.200 tot € 2.500 per jaar;
  • de vraag of de activiteit in de concrete situatie de re-integratie bevordert, of juist niet.

Een benadering kan ook zijn dat een neerwaartse afstemming niet aan de orde is als een bijstandsgerechtigde met zijn activiteiten alleen maar zijn eigen kosten (contributie, servicekosten of energiekosten e.d.) verlaagt, ook niet in de vorm van een inkomstenkorting. Dat leidt alleen tot uitzonderingen als:

  • de wetgever expliciet anders koos, zoals bij de inkomsten uit verhuur van eigen woonruimte, of het hebben van kostgangers;
  • het niet in aanmerking nemen van het voordeel uit oogpunt van bijstandsverlening niet aanvaardbaar is. Dit kan bijvoorbeeld spelen als een situatie zou ontstaan waarbij de bijstandsgerechtigde een levensstijl zou hebben die niet met bijstandsverlening te verenigen is.

Complexiteit

Inkomen en bijstand, echt helder is het niet. Toch moet de bijstandsgerechtigde alles melden, zelfs als nagenoeg zeker is dat het geen gevolgen voor de uitkering heeft, en dit op straffe van boete. Ook komt de vraag op, of het niet verstandiger is om in de Participatiewet over te stappen naar een ander inkomensbegrip? Een inkomensbegrip dat beter aansluit bij de leefwereld van inwoners en meer overeenstemt met andere inkomensbegrippen in ons wetgevingsstelsel.