Podcast: Alternatieve troonrede sociaal domein

Lees hier de complete tekst van de alternatieve troonrede sociaal domein.

Gerrit van Romunde: ‘Benut creatief de speelruimte bij de nieuwe inburgeringswet!’

De regie over inburgering komt bij de gemeente te liggen in plaats van de inburgeraar. Dat vindt Gerrit de grootste winst van de nieuwe inburgeringswet die naar verwachting op 1 januari 2021 in werking treedt. “De gemeente kan trajecten voor inburgering en werk beter op elkaar afstemmen en meer rekening houden met de mogelijkheden van inburgeraars. Dat zijn heel goede veranderingen.”

Gerrit is een ervaren adviseur op dit terrein en geeft de training Effectieve ondersteuning van statushouders. Gemeenten zetten volgens hem al steeds vaker in op de combinatie van werk en inburgering voor statushouders. “Deze ontwikkeling wordt door de nieuwe wet gestimuleerd. Bij inburgering wordt straks eerst een onafhankelijke diagnose gemaakt: wat is het vermogen van iemand om te werken en leren? Daarna stelt de gemeente samen met de statushouder een persoonlijk inburgeringsplan op. Hierin staat de voor de persoon meest geschikte route.”

Participatie en inburgering samengebracht

Een groot pluspunt van het inburgeringsplan is dat participatie en voorbereiding op de Nederlandse taal en gewoonten worden samengebracht. “Het hoogste doel bij participatie is het hebben van een eigen inkomen, liefst via werk. Een voordeel is ook dat de verplichtingen rond onder meer huisvesting, school en belastingen kunnen worden meegenomen in het plan.”

De nieuwe wet Inburgering lost het huidige probleem op dat statushouders en gemeenten niet dezelfde financiële prikkels hebben. Gerrit licht toe: “De statushouder is zelf verantwoordelijk voor de inburgering en moet binnen drie jaar het inburgeringsexamen halen, anders kost het hem of haar veel geld. De gemeente wil statushouders in de bijstand uit laten uitstromen naar werk. Dat bijt in de praktijk vaak met elkaar. De inburgeringsverplichtingen staan minimaal op gespannen voet met het vinden van werk. Door de regierol van de gemeente verdwijnen deze tegenstrijdige prikkels.”

Kritiek op nieuwe wet

Op het huidige conceptvoorstel voor de wet is echter wel het een en ander aan te merken. De VNG oordeelt dat de lokale beweegruimte te veel wordt ingeperkt, omdat er ook diverse verantwoordelijkheden zijn toebedeeld aan andere partijen zoals COA en DUO. Verder zijn de gemeentelijke taken niet adequaat gefinancierd. De Raad voor het Openbaar Bestuur spreekt zelfs over de gemeente als uitvoeringskantoor van het Rijk.

Ook Gerrit is niet erg gelukkig met de inhoud van de conceptwet. “Het is een sympathiek idee dat gemeenten hun aanpak dichtbij de statushouders kunnen vormgeven, maar er worden hiervoor wel barrières opgeworpen. Het lijkt erop dat niet de mogelijkheden van statushouders centraal staan, maar de beperkingen van het systeem. Dat moet natuurlijk omgekeerd zijn. Het kabinet zal de wet op punten nog wel verbeteren, maar zeker niet aan alle verlangens van gemeenten voldoen.”

Goede organisatie essentieel

Gerrit raadt gemeenten aan om straks zoveel mogelijk hun speelruimte te pakken binnen de wettelijk bepaalde grenzen. “Wees creatief om alles zo goed mogelijk te regelen! Het gaat erom dat de gemeente een goed inburgeringsplan voor de statushouder opstelt en ervoor zorgt dat dit plan samenhangend wordt uitgevoerd. Voorkom dat re-integratiebedrijven en inburgeringsscholen ieder hun eigen ding doen.”

Dat vraagt om een zeer goede organisatie, vervolgt Gerrit. “De kunst is om inburgering en participatie nauw op elkaar af te stemmen vanuit een integrale visie op de doelgroep, liefst met gebruikmaking van reguliere voorzieningen. Ga uit van de mogelijkheden en wensen van statushouders en tuig niet een nieuw circuit op. Zorg ervoor dat iedere betrokkene binnen de gemeente doordrongen is van de urgentie van een goede aanpak voor deze doelgroep. Leg daarvoor de verbinding met de andere terreinen in het sociaal domein.” Stimulansz ondersteunt gemeenten hierbij, zegt Gerrit. “We kunnen helpen bij het zo goed mogelijk inrichten van de organisatie in voorbereiding op de nieuwe inburgeringswet.”

Belang van goed gesprek

Volgens de recent door Kennisplatform Integratie & Samenleving en Divosa gepubliceerde Monitor gemeentelijk beleid arbeidstoeleiding vluchtelingen 2019 zetten veel gemeenten ‘dedicated’ klantmanagers in. Zij bieden maatwerk en begeleiden statushouders intensiever bij het zoeken naar werk. Hun inzet is een succesvoorwaarde voor een effectieve dienstverlening aan statushouders, vindt Gerrit. Hij benadrukt het belang van het voeren van het goede gesprek met de statushouder. “Daar begint alles mee.”

Dit gesprek staat centraal in de training Effectieve ondersteuning van statushouders. De deelnemers krijgen inzicht in hoe zij op een goede manier intercultureel kunnen communiceren en oefenen hiermee. De basis is dat gesprekken op een gelijkwaardig niveau worden gevoerd en maatwerk centraal staat. “Ik raad in de training aan om kant-en-klare oplossingen te vermijden”, zegt Gerrit. “Daarvoor is de doelgroep veel te divers. Het is essentieel om aan te sluiten bij de persoonlijke drijfveren van de statushouder en in te gaan op alle voor hem of haar belangrijke leefgebieden.”

Training

De training Effectieve ondersteuning van statushouders is bedoeld voor alle medewerkers die met deze groep te maken hebben. U kunt zich hiervoor nog aanmelden.

De training wordt in Utrecht gehouden op 31 oktober (dag) en 12 december (middag).

Fraudepreventie en fraudebestrijding bij de Wmo en Jeugdwet

Maatregelen

Gemeenten kunnen maatregelen nemen om deze risico’s zoveel mogelijk te beperken.

Fraudepreventie en handhaving beginnen al bij de behandeling van de melding of aanvraag. Bij het onderzoek is het bijvoorbeeld belangrijk om na te gaan wat de problematiek van de cliënt precies is en hoe de cliënt het best ondersteund kan worden, binnen of buiten de Wmo of Jeugdwet. Daarvoor moeten soms veel vragen worden gesteld aan de cliënt. Ook van de deskundigen is soms advies en extra informatie nodig.

En als er reden is voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening, welke vorm moet die dan hebben en welke kwaliteitseisen stelt de gemeente dan aan de verstrekking?

Een eventuele vervolgvraag is of de verstrekking ook in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) mogelijk is. Wat gaat de gemeente dan onderzoeken? Welke beschikkingseisen moeten er dan worden gesteld aan de besteding van dat pgb, als het wordt toegekend?

Het gaat dus ook om de vraag wat er wordt toegekend. Die vraag is en was altijd al belangrijk om ervoor te zorgen dat de cliënt ook de effectieve ondersteuning krijgt waar die recht op heeft.

Maar ook de manier waarop de toekenningsbeschikking is geformuleerd is van belang om – na die toekenning – te kunnen handhaven. Dat is een andere dimensie van de toekenning. Deze kreeg in het verleden vaak minder aandacht, simpelweg omdat frauderisico’s tot 2015 minder groot waren.

In een tijd van oplopende kosten wordt het voor gemeenten steeds belangrijker om goed op een zuivere en scherpe indicatiestelling te letten. Ook vraagt heronderzoek en handhavingstoezicht meer aandacht. Het werk is dus niet afgelopen na de toekenning.

Handhaving is niet alleen gericht op de cliënt, maar ook op gecontracteerde zorgaanbieders en op zorgaanbieders die uit een pgb worden betaald. Er zijn diverse maatregelen denkbaar om de naleving van de regels te bewerkstelligen, zowel bestuursrechtelijk als civielrechtelijk en strafrechtelijk.

Die handhaving is voor een belangrijk deel afhankelijk van wat er is gebeurd in het voortraject tot de toekenning. Vandaar dat het van belang is dat uitvoerende medewerkers zich bewust zijn van hun rol in de handhaving, maar ook dat intern controleurs, toezichthouders en sociaal rechercheurs kennis hebben van wat er in het voortraject na de aanvraag gebeurt.

Fraudepreventie en -bestrijding gaat dus om de samenhang in het hele proces van aanvraag tot en met het nemen van mogelijke handhavingsmaatregelen, zoals herziening en terugvordering.

Oplossing

Om dit hele proces en de onderlinge samenhang tussen de besluitvorming op aanvragen en de handhavingsmaatregelen te ontrafelen biedt Stimulansz de training Fraudepreventie en fraudebestrijding bij de Wmo en Jeugdwet aan.

Tijdens de training is de leidraad de Wmo 2015, maar ook behandelen we de Jeugdwet. We bespreken onder meer de volgende onderwerpen:

  • juridisch kader, uitgelegd aan de hand van praktische en herkenbare voorbeelden/casuïstiek;
  • frauderisico’s en concrete preventiemogelijkheden bij de uitvoering;
  • de rol van de verschillende instanties bij de uitvoering (gemeente, SVB, adviseurs);
  • verzamelen van gegevens voor de uitvoering en handhaving;
  • handhavingsmogelijkheden en de relatie met het gehele uitvoeringsproces;
  • de bijzondere rol en bevoegdheden van de toezichthouder.

Door het volgen van de training bent u beter op de hoogte van de frauderisico’s in de Wmo 2015 en de Jeugdwet. U hebt concrete handvatten om hier binnen uw organisatie, binnen het reguliere werkproces wat mee te doen. Ook krijgt u goed inzicht in de samenhang van de behandeling van de aanvraag en handhaving na toekenning van een naturavoorziening of een pgb.

Deze training is bedoeld voor iedereen die direct of indirect betrokken is bij de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet: kwaliteitsmedewerkers, beleidsmedewerkers, consulenten en wijkteammedewerkers. Daarnaast is het ook zeer geschikt voor sociaal rechercheurs en toezichthouders voor wie de uitvoering van de Wmo en Jeugdwet nog relatief onbekend is.

Meer of minder beleidsvrijheid voor gemeenten?

Aanleiding

In 2021 wordt de verdeling van het gemeentefonds helemaal herzien. Voor de herziening voert het Rijk op dit moment twee onderzoeken uit. Het onderzoek is in twee delen opgeknipt: Eén onderzoek naar de verdeling van de middelen voor het sociaal domein en één onderzoek naar de verdeling van de rest, het ’klassieke gemeentefonds’. Een herijking van het gemeentefonds vindt regelmatig plaats en was nu extra nodig door de integratie van de middelen voor het sociaal domein in de algemene uitkering.

In het huidige verdeelmodel worden objectieve maatstaven gebruikt, die zouden moeten aansluiten bij de uitgaven van gemeenten. Maar in de praktijk blijkt dat de verdeling niet meer voldoet en er verschillen ontstaan tussen gemeenten. Nu gaat het Rijk onderzoeken welke maatstaven of variabelen nog aansluiten bij de huidige uitgaven van gemeenten.

Advies ROB

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het ministerie van Financiën hebben aan de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) gevraagd om een advies uit te brengen over de aanpak van de herijking van het gemeentefonds. Het oordeel van de Raad is dat herziening noodzakelijk is, maar geen oplossing biedt voor de tekorten in het sociaal domein. De ROB vraagt zich ook af of de grote mate van beleidsvrijheid die bij de algemene uitkering hoort, past bij gedecentraliseerde zorgtaken. Zo ja, dan past een verdeling via de algemene uitkering daar prima bij. Kern in de afweging is of voor het dekken van de kosten in het sociaal domein een gelijkwaardig dan wel een gelijk voorzieningenniveau moet worden nagestreefd. Als de beleidsvrijheid van gemeenten in het sociaal domein beperkter is dan voor de overige domeinen, dan past daar een andere bekostiging bij.

De ROB is ook van mening dat de normeringssystematiek (trap op-trap af principe) zich leent voor een aanpassing, zodat gemeenten niet gedurende het lopende begrotingsjaar geconfronteerd worden met aanpassingen in de uitkering door onder andere onderbesteding door het rijk. Het ’trap op-trap af’ houdt in dat als het Rijk meer uitgaven doet, het gemeentefonds meegroeit met dit aangepaste uitgavenpatroon. De andere kant op werkt het op dezelfde manier: geeft het Rijk minder uit, dan krijgen gemeenten ook minder geld uit het gemeentefonds.

Meer of minder beleidsvrijheid voor gemeenten?

Het doel van de decentralisatie van taken naar gemeenten is altijd geweest om ervoor te zorgen dat problemen van inwoners integraal aangepakt kunnen worden. Gemeenten moeten zelf kunnen bepalen wat goed is voor hun inwoners. Door de middelen centraal te verdelen vanuit het gemeentefonds is het voor gemeenten mogelijk om eigen keuzes te maken, maar deze worden wel beperkt door de financiële ruimte die ze hebben. En de financiële ruimte wordt bepaald door de verdeling van het geld uit het gemeentefonds.

De Raad constateert ook dat er een sterke tendens is tot ’potjesdenken’, zowel bij het Rijk als bij de gemeenten. Middelen voor bijvoorbeeld de Wmo, zijn bij het ’potjesdenken’ alleen voor Wmo- taken beschikbaar en kunnen bij een gemeente niet voor een ander doel worden gebruikt. Mede daardoor komt de integrale benadering van de ondersteunings- of zorgvraag niet goed uit de verf. Een nieuwe verdeling van de middelen voor het sociaal domein zou meer rekening moeten houden met het stimuleren van de integrale benadering en het ‘potjesdenken’ zo veel als mogelijk moeten voorkomen.

Wat moet er veranderen?

De verdeling van de middelen is in loop van de jaren scheefgegroeid, waarbij sommige gemeenten te veel en andere gemeenten te weinig geld krijgen uit Den Haag. Die onevenwichtigheid moet gerepareerd worden door een aanpassing in de maatstaven en het aantal maatstaven.

Wat ook gerepareerd moeten worden is de ’trap op-trap af’ systematiek. Voor gemeenten is het onmogelijk om gedurende het begrotingsjaar bezuinigingen door te voeren. Het grootste deel van de uitgaven ligt vast en dus worden gemeenten zo opgezadeld met tekort dat ze niet kunnen voorkomen. De uitkering uit het gemeentefonds moet een voorspelbaar bedrag worden, waarop de gemeenten financieel verantwoord beleid moeten kunnen voeren. De gemeente Gouda heeft in 2015 met een brandbrief[1] aan de minister gevraagd om een aanpassing van deze normeringssystematiek. Hoog tijd om deze systematiek te repareren in het gemeentefonds!

Een verdere aanpassing in de verdeling van de middelen kan alleen als de gedecentraliseerde taken in het sociaal domein verder zijn uitgekristalliseerd. Op dit moment is dat te snel na de overheveling van die taken uit 2015. Geef de gemeenten nog een aantal jaren de tijd om het takenpakket voortgekomen uit de decentralisatie waar te maken en oordeel dan opnieuw over de uitgangspunten en de financiering ervan. Voor nu zijn de genoemde aanpassingen voldoende om de grootste problemen op te lossen.

Financiële stromen in het sociaal domein?

De financiële stromen voor gemeenten zijn niet eenvoudig, zeker niet in het sociaal domein. Het hele proces van begroting en verantwoording, de voorschriften en de verdeling van de middelen zijn voor een niet-financiële medewerker lastig te doorgronden.

Om inzicht te krijgen in dit proces verzorg ik op maandag 4 november de training Financiën in het sociaal domein. Er is nog een aantal plekken beschikbaar. Meld u nu aan!

[1] https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/nieuw-wethouder-pikt-het-niet-meer~b9654b87

Met handhaving en kwaliteitscontrole fraude in de Wmo en Jeugdwet voorkomen

Inzet van ondersteuning via de Wmo en de Jeugdwet moet zo effectief mogelijk zijn. Dat betekent allereerst dat die ondersteuning alleen terechtkomt bij de mensen die het echt nodig hebben. En die mensen moeten goed geholpen worden.

Het klinkt heel eenvoudig, maar dat is het niet altijd. De Wmo en de Jeugdwet zijn beide algemeen/ open geformuleerde wetten. Dat heeft als voordeel dat ze veel speelruimte geven, om zo maatwerk te kunnen bieden in een veelheid van situaties. Maar het heeft als nadeel dat ze niet zo makkelijk uitvoerbaar zijn. In beeldspraak gevat: tussen het zwart en het wit zit heel veel grijs.

Uitvoeringsvragen

Want wie hoort er bij de doelgroep en wie niet? En waar begint en eindigt de taak van de gemeente? Sommige mensen kunnen hun problemen zelf oplossen, sommige kunnen dat niet en sommige kunnen dat maar gedeeltelijk. En als de gemeente ondersteuning moet bieden is de vraag hoe ze die ondersteuning moet geven, zodat die past bij de cliënt. Met name bij de ‘nieuwe’ doelgroepen (jeugdhulpcliënten, Wmo-cliënten voor begeleiding en beschermd wonen) is het niet altijd eenvoudig om vast te stellen waarop aanspraak bestaat.

Als de gemeente die aanspraak uiteindelijk heeft bepaald, kan er nog een tweede vraagstuk volgen: de verstrekking van een persoonsgebonden budget. Is dat mogelijk? En zo ja, welke eisen moeten er dan worden gesteld aan de besteding?

De gemeente moet de aanspraken ook duidelijk kenbaar maken via een beschikking. En ze moet   cliënten (en vaak hun vertegenwoordigers) vanaf het begin goed informeren over hun rechten en plichten.

Bij de uitvoering zijn in de verschillende fases verschillende mensen betrokken: consulenten of wijkteammedewerkers, administratief medewerkers, sociaal-medisch adviseurs en toezichthouders. Maar ook externe instanties zoals het CAK en de SVB en gecontracteerde aanbieders.

Frauderisico’s

Al met al is de uitvoering een complex proces. Bovendien zijn er meer frauderisico’s. Het gaat, met name bij begeleiding, beschermd wonen en jeugdhulp om dure en doorlopende dienstverlening aan vaak kwetsbare/manipuleerbare cliënten. Helaas zijn er ook hulpverleners die daar op een onrechtmatige manier van willen profiteren. Gemeenten moeten hierop alert zijn, en zorgen dat hun handhavingsproces op orde is. Handhaven begint al bij de melding/aanvraag en moet zowel op de cliënten als op de hulpverleners gericht zijn. Preventie is daarbij het belangrijkst, omdat de handhavingsmogelijkheden na toekenning beperkt zijn, en bovendien bewerkelijk.

Samengevat: er moeten veel deelprocessen  goed verlopen om te zorgen dat het oorspronkelijke doel wordt bereikt: effectieve ondersteuning voor degenen voor wie die bedoeld is. Dat vraagt om een goede kwaliteitscontrole. Daarbij moet ook meer rekening worden gehouden met frauderisico’s en vooral met het beheersen daarvan. Goede uitvoeringskwaliteit vermindert frauderisico’s en maakt handhaving na toekenning makkelijker.

Handhaving en met name een zuivere toegangsbepaling, wordt belangrijker als financiële tekorten oplopen. Met de invoering van het abonnementstarief in de Wmo, dat leidt tot een toename van aanvragen, is die toegangsbepaling nog belangrijker geworden.

Welke waarde hechten we aan cliëntenparticipatie?

In steeds meer wetten is inspraak van cliënten verankerd. Toch vinden veel gemeenten het betrekken van cliënten lastig en ingewikkeld.

Omgaan met cliënten

Gemeenten zijn vooral bang voor de persoonlijke verhalen en emoties van cliënten. Daarom maken gemeenten cliëntenparticipatie steeds abstracter: een brede raad met veel deskundigen. Deze raad bestrijkt het hele spectrum van het sociaal domein. Het zijn deskundigen die geen ervaring hebben met de uitvoeringspraktijk van de sociale zekerheidswetten. De vraag is waar de cliënten blijven. Die haken af. In de strijd tussen beleidsdeskundigheid en ervaringsdeskundigheid verdwijnt de oorsprong en de echte waarde van cliëntenparticipatie. Een ramp is dat niet want het is tegenwoordig veel hipper om het over burgerparticipatie te hebben. En daar vallen cliënten ook onder, toch?

Succes

Wil je cliëntenparticipatie tot een succes maken, dan is het benaderen van de afzonderlijke doelgroepen een goede succesfactor. Verschillende cliënten – uit de Wmo, bijstand en jeugdzorg – hebben allemaal hun eigen invalshoek. En laat ook eens de vergadertafel los: er zijn genoeg creatieve manieren om cliënten mee te laten denken. De voorzitter van de Landelijke Cliëntenraad (LCR) en de staatssecretaris van SZW schreven op 4 april 2016 gezamenlijk een brief aan de wethouders van de centrumgemeenten. Zij wezen daarin op het belang om cliënten structureel te betrekken bij het beleid. Ook vroegen zij bij het Regionaal Werkbedrijf aandacht voor cliëntenparticipatie. “Het is van het grootste belang dat u met cliënten spreekt.”

Het kan wel

Het Regionaal Werkbedrijf in Noord-Limburg (Venlo) zorgt via verschillende wegen voor inbreng van de betrokkenen zelf. In een zogenoemd Algemeen Beraad komen de diverse bij het Werkbedrijf betrokken partijen bij elkaar in plenaire en deelsessies. Uitvloeisel van de werksessie ‘cliëntenparticipatie’ van het Beraad enkele maanden geleden is dat er nu wordt gewerkt aan een model om die rechtstreekse inbreng structureel vorm te geven. Op die manier bleek de ervaringskennis van werkzoekenden en mensen uit het doelgroepregister, die bemiddeld zijn naar werk, duidelijk in beeld te brengen is. Voor enkele bestuurders van het Regionaal Werkbedrijf kwamen meteen al verschillende praktijksignalen op tafel!

En het kan zo simpel zijn

Een goede raad tot slot: ga met cliënten in gesprek, luister gericht en sta open voor hun mening.

5 tips voor meer kwaliteit in cliëntenparticipatie

Uiteindelijk is een goede dienstverlening aan de burger een kerntaak van de gemeente. Zij moet immers zorgen dat mensen zoveel mogelijk zelfstandig kunnen functioneren. Alleen als dat erg lastig is zal de gemeente bijspringen.

Cliëntenraden en adviesraden adviseren gemeenten vanuit cliëntenperspectief over het beleid en de uitvoering in het sociaal domein. Vanuit gemeenten wordt – met name achter de schermen – soms geklaagd over de kwaliteit van de inbreng van de adviesraad. In een eerder blog heb ik al eens over de oorzaken daarvan geschreven.

Ik geef u een aantal tips die helpen bij het verhogen van de kwaliteit van cliënten- en adviesraden. In willekeurige volgorde:

  1. Werk met een onafhankelijk voorzitter die hart – en voldoende tijd – voor de zaak heeft om de adviesraad goed te laten functioneren. Onafhankelijk, omdat er dan geen directe belangen in het spel zijn. En iemand die een vaardig voorzitter is zodat ervaringsdeskundige cliënten en hun vertegenwoordigers voldoende aan het woord komen.
  2. Geef goede informatie en achtergronden aan de adviesraad. Niet door stapels papier bij hen over de schutting te gooien, maar door vroegtijdig mondelinge toelichting te geven op de keuzes die gemaakt worden, de achtergronden van het waarom en de beoogde effecten van het beleid. Ga daarover in gesprek met de adviesraad vóórdat het beleid al in kannen en kruiken is.
  3. Investeer in deskundigheidsbevordering van de adviesraad. Zorg dat er genoeg (en wellicht geoormerkt) budget beschikbaar is voor trainingen, workshops, een abonnement cliëntenparticipatie en deskundige (externe) sprekers over deelthema’s van het beleid. Volsta niet met alleen de informatie vanuit het gemeentehuis. Er is meer dan de visie van de gemeente. Weten hoe onderwerpen in elkaar steken is voor de adviesraad van belang om verder te kunnen kijken dan hun neus lang is.
  4. Zorg voor goede professionele ondersteuning van de adviesraad door een (ambtelijk) secretaris of opbouwwerker. Een goede adviesraad verzet veel werk dat niet allemaal op vrijwilligersschouders kan rusten. Zeker als het een brede adviesraad betreft is het werkterrein erg omvangrijk. De ondersteuner kan bijdragen aan de continuïteit en kwaliteit van het werk en de adviesraad.
  5. Wees nieuwsgierig naar de leefwereld van cliënten. Organiseer samen met de adviesraad directe gesprekken met cliënten op deelthema’s. Heb het eens niet over beleid en regels maar over het leven van mensen. Ga op bezoek, neem de tijd om te luisteren èn te begrijpen wat cliënten meemaken. Neem de moeite om eens in hun schoenen te staan en te bedenken wat jij dan van een gemeente graag zou willen of verwachten.

Laat de adviesraad niet alleen modderen. Cliëntenparticipatie goed vorm geven is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Investeer in meer dan het faciliteren van de vergaderruimte en de vrijwilligersvergoedingen. Uiteindelijk krijgt elke gemeente de adviesraad die zij verdient.

Besluit bijstandverlening zelfstandigen: wijzigingen per 2020

Wijzigingen Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz)

Het doel van de wijzigingen is om de regeling effectiever, efficiënter en meer in overeenstemming met de uitgangspunten van de Participatiewet (PW) uit te voeren.
Allereerst een korte schets van de veranderingen:

  • De financiering wordt een budgetregeling. Dat betekent dat de Bbz-uitkeringen voor gevestigde zelfstandigen worden toegevoegd aan de gebundelde uitkering artikel 69 PW.
  • Van het door gemeenten verstrekte bedrijfskapitaal wordt door het Rijk per saldo nog maar 25% vergoed.
  • Het Rijk financiert 100% voor, maar gemeenten moeten in 5 jaar tijd 75% terugbetalen.
  • Rentereductie voor gevestigde ondernemers is alleen nog mogelijk als er niet tevens algemene bijstand wordt ontvangen.
  • Terugvordering kan op basis van artikelen uit de Participatiewet.
  • De middelen voor levensvatbaarheidsonderzoeken worden toegevoegd aan het gemeentefonds en het BTW-compensatiefonds.
  • De Bbz-regeling voor oudere zelfstandigen met een niet-levensvatbaar bedrijf is alleen mogelijk voor personen die zijn geboren vóór 1960.
  • Gevestigde zelfstandigen, aan wie zowel algemene bijstand als bedrijfskapitaal wordt verleend, ontvangen de algemene bijstand en het bedrijfskapitaal voortaan apart.
  • Het keuzejaar komt te vervallen.
  • Ondernemers in de binnenvaart die bijstand aanvragen, moeten zich melden bij de woongemeente of de gemeente waar men is aangemeerd.

Wat moet u doen om goed voorbereid te zijn op de wijzigingen? Om het enigszins overzichtelijk te maken cluster ik de mogelijkheden:

Financieel

De gemeente wordt volledig financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van het Bbz, inclusief de terugvordering:

  • De Regeling financiering en verantwoording IOAW, IOAZ en Bbz 2004 heeft onder de nieuwe financieringssystematiek voor het Bbz 2004 geen grondslag meer. Deze regeling komt daarom per 1 januari 2020 te vervallen. De nog relevante bepalingen zijn ondergebracht in de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ (artikel 15a, vergoeding voor centrumgemeenten).
  • De middelen voor de levensvatbaarheidsonderzoeken worden ontschot toegevoegd aan het cluster Inkomen en participatie van het gemeentefonds en het BTW-compensatiefonds. Met deze spreadsheet kunt u het bedrag dat zou zijn geoormerkt voor de levensvatbaarheidsonderzoeken uitrekenen. Dit kan een hulpmiddel zijn bij het maken van de begroting voor de uitvoering van het Bbz voor het jaar 2020. U kunt ook nadenken over de vraag of u de levensvatbaarheidsonderzoeken uitbesteedt of zelf uitvoert.
  • Het invorderingstempo loopt mogelijk niet synchroon met de terugbetalingsverplichting aan het Rijk. Die verplichting wordt 75% in 5 jaar tijd. Dat betekent dat er meer focus moet komen op de kwaliteit van het debiteurenbestand en op een effectieve terug- en invordering.

Debiteurenbeleid

De terugvorderingsverplichting voor het college wordt omgezet in een terugvorderingsbevoegdheid, met uitzondering van de fraudevorderingen. Dat betekent dat inzichtelijk moet worden gemaakt in welke gevallen en op welke wijze aan deze bevoegdheid invulling wordt gegeven.

Heronderzoeken

De regeling administratieve uitvoeringsvoorschriften Bbz 2004 (Rau) wordt ingetrokken. Hierdoor vervallen de centrale administratieve voorschriften inzake onderzoeksverplichtingen en onderzoeksfrequenties en de gemeentelijke administratie. Dit betekent dat gemeenten zelf moeten regelen hoe zij de rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking borgen (opstellen heronderzoeksplan).
Verder zal de verplichting tot periodieke herbeoordeling van de levensvatbaarheid van het bedrijf of beroep van beginnende zelfstandigen worden omgezet naar een bevoegdheid tot herbeoordeling. De gemeente krijgt beleidsruimte voor een eigen werkwijze en eigen administratieve inrichting.

Rapporten

Als er gebruik wordt gemaakt van standaard rapportmodellen, dan is het verstandig te bekijken in hoeverre deze moeten worden aangepast. Kijk hierbij naar: vervallen van keuzejaar, gedegen onderzoek levensvatbaarheid, wel/geen heronderzoek, terugvordering e.d.

Communicatie

Het is noodzakelijk om de standaardbrieven en -beschikkingen Bbz aan te passen aan de nieuwe wetgeving. Denk aan brieven aan ondernemers en externe partijen. Denk ook aan aanpassingen van formulieren die gebruikt worden, aanpassingen van de informatie op de website en voorlichtingsmateriaal. Stimulansz heeft begin december geactualiseerde modelbrieven en -beschikkingen Bbz voor u beschikbaar.

Trainingen/kennis medewerkers

Het is van belang dat medewerkers kennis opdoen over de wijzigingen en de gevolgen van de wetsaanpassingen voor de verschillende doelgroepen. Een korte training kan daarvoor zorgen. Het is ook van belang om de procesbeschrijvingen te beoordelen en werkinstructies te maken of aan te passen. Dit om een eenduidige en zorgvuldige werkwijze te krijgen.

Het bovenstaande is geen limitatieve opsomming, het schetst een kort beeld van wat er staat te gebeuren en wat u daarmee zou moeten/kunnen doen. Voor meer details verwijs ik graag naar de handreiking Bbz.

Meer weten over de Bbz?

Blijf op de hoogte van alle actualiteiten rondom de Bbz en leer van ervaringen van andere gemeenten.

Bijstand en vreemdelingen: toekennen gehuwdennorm

“Mevrouw heeft dus nooit Nederland verlaten en woont nog steeds samen met haar partner en hun gezamenlijke kinderen. De man ontvangt nu al enkele jaren de norm voor een alleenstaande ouder. Wij vullen zijn norm aan op grond van artikel 18 Participatiewet vanwege het missen van de ALO-kop omdat de Belastingdienst mevrouw wél als toeslagpartner ziet ondanks haar onrechtmatig verblijf in Nederland. Kan ik nu, omdat mevrouw 5 jaar in Nederland verblijft, de gewone gehuwdennorm toekennen?

Mijn vragen zijn dus:

  • Kan ik op basis van de feiten: al 5 jaar hier, samen kinderen, kortom een ‘deugdelijke en duurzame’ relatie de volledige uitkering toekennen onder de voorwaarde dat zij actie ondernemen bij de IND?
  • Moest de norm niet zijn: gehuwden met een niet-rechthebbende partner in plaats van alleenstaande ouder?
  • Moet ik op grond van artikel 18 blijven afstemmen wegens de ALO-kop?”

Antwoord

Wanneer (opnieuw) een gezamenlijke aanvraag wordt gedaan, zult u die moeten innemen. Het stel moet weten dat u, net zoals uw voorganger, verplicht bent een melding bij de IND te doen. Dit zal hoogstwaarschijnlijk weer tot een verwijderingsmaatregel leiden. 5 jaar verblijf is namelijk niet voldoende, het gaat om 5 jaar rechtmatig verblijf. Het stel kan zich ook niet baseren op de ‘begunstigden’ die in artikel 3, 2e lid onder b van de Richtlijn 2004/38 worden genoemd: “de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft” omdat een Nederlander in Nederland geen EU-burger is. De norm had inderdaad gebaseerd moeten worden op artikel 24 Participatiewet. Afstemmen op art. 18 Participatiewet is maatwerk en als de situatie dat noodzakelijk maakt en betrokkenen dat ook aanvoeren zou u dat kunnen blijven doen. Over wat u moet doen wanneer 1 partner geen recht heeft gaat ook de volgende vraag en antwoord op onze website.

Wilt u meer inzicht in de Participatiewet?

Dat kan met onze juridische kennisbank Inzicht sociaal domein.

Top 5 best gelezen blogs november

1. Besluit bijstandsverlening zelfstandigen: wijzigingen per 2020

Per 1 januari 2020 wijzigt het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz). Hoe moet de gemeente zich voorbereiden op deze wijzigingen? Expert Andries Terpstra geeft antwoord op deze vraag.

2. Hersenontwikkeling bij kinderen in armoede

Maar liefst 1 op de 9 kinderen groeit op in armoede. Als gemeente is het belangrijk om naast de materiële gevolgen van kinderarmoede ook oog te hebben voor de immateriële gevolgen. Wist u bijvoorbeeld dat armoede een negatieve invloed heeft op de hersenontwikkeling in de kinderjaren?

3. Vreemdelingen en de Participatiewet: 3 adviezen voor klantmanagers inkomen

Evaluatie Participatiewet: analyse SCP-rapport

Kritiek SCP

Waar richt zich de kritiek van het SCP met name op? Een greep uit de belangrijkste punten:

  • De wet was bedoeld om 1 regeling naar werk te zijn voor mensen met een arbeidsbeperking. De werkelijkheid is echter veel complexer. Er zijn nog steeds meerdere regelingen (Wet Banenafspraak, Beschut werk en ook de Wajong) die met elk eigen regels en voorwaarden voorzieningen aan werkgevers verstrekken. Daarnaast leggen gemeenten elk afzonderlijk ook vaak nog eigen voorwaarden op. Voor werkgevers onoverzichtelijk en niet stimulerend. De groep van werkgevers die met de doelgroep aan de slag wil groeit niet en er is nog veel onbekendheid met de stimuleringsmaatregelen.
  • De aannames in de wet blijken niet te kloppen. Veel mensen zijn niet tot werken in staat of zijn niet in beeld bij de gemeente. Van de mensen in de bijstand denkt 60% zelf niet in staat te zijn om te werken.
  • De middelen die gemeenten kunnen inzetten (loonkostensubsidies, proefplaatsingen, no risk etc.) zijn wel belangrijk maar niet toereikend. Met name persoonlijke en continue begeleiding zijn essentieel voor succes.
  • De financiële middelen voor participatie zijn de laatste jaren sterk afgenomen en door de financiële prikkelwerking van de Bijstandswet kiezen gemeenten eerder voor mensen die snel kunnen uitstromen en niet voor de mensen die meer hulp nodig hebben.

Het SCP adviseert om de financieringsstructuur zo aan te passen dat het rendeert om juist aandacht te schenken aan mensen met de grootste afstand tot de arbeidsmarkt. Daarnaast moet het systeem veel simpeler en moeten we onze verwachtingen naar meer realistische perspectieven bijstellen. Vooral omdat er jaren van hoogconjunctuur achter ons liggen die meer kansen boden aan de doelgroep van de Participatiewet en bij de te verwachten economische tegenwind deze mensen vaak als eerste weer hun banen verliezen.

Lichtpuntjes

Er zijn ook wat lichtpuntjes. Hoewel het aantal gerealiseerde plaatsen Beschut werk (3277 plaatsen per 1-7-2019 ) nog achterblijft bij de doelstelling (4600 per 1-1-2019), is er sprake van een progressieve trend. Het aantal plaatsen neemt het laatste jaar versneld toe en het lijkt erop dat meer gemeenten nu serieus werk maken van de realisatie. Ook het aantal banen in de Wet Banenafspraak is tot op heden ruim gerealiseerd. Wel betreft het hier vaak tijdelijk werk via uitzend- of detacheringsconstructies. De duurzaamheid van dit werk zal in de komende jaren een bron van zorg blijven.

Reactie kabinet

Het kabinet heeft in meerdere brieven gereageerd op de evaluatie van het SCP. Zo werd in een reactie op een motie uit de Tweede Kamer aangekondigd dat de vrijblijvendheid rondom de invulling van de tegenprestatie eraf gaat. Uit onderzoek blijkt dat 60% van de mensen in de bijstand meent vrijgesteld te zijn van sollicitatieverplichtingen, vaak ingegeven door weinig contactmomenten met de gemeente. Het kabinet vindt dit niet acceptabel en wil hier, zonder inzet van extra middelen, verandering in zien.

Verder is er een Kamerbrief verschenen over de voortgang van het programma Simpel Switchen. Dit programma heeft als doel om de doorgang in de participatieketen te bevorderen en daar waar mogelijk drempels weg te nemen. In de brief van 20 november wordt de stand van zaken weergegeven. Zo wordt onder meer het vervallen van de zoektermijn van 4 weken voor jongeren met een arbeidsbeperking aangekondigd en de versoepeling van de overgang van WW naar bijstand. Ook zal het inzicht in de financiële gevolgen van mensen die aan het werk gaan verbeteren door de lancering van een rekentool.

 

Evaluatie Participatiewet: analyse SCP-rapport

Kritiek SCP

Waar richt zich de kritiek van het SCP met name op? Een greep uit de belangrijkste punten:

  • De wet was bedoeld om 1 regeling naar werk te zijn voor mensen met een arbeidsbeperking. De werkelijkheid is echter veel complexer. Er zijn nog steeds meerdere regelingen (Wet Banenafspraak, Beschut werk en ook de Wajong) die met elk eigen regels en voorwaarden voorzieningen aan werkgevers verstrekken. Daarnaast leggen gemeenten elk afzonderlijk ook vaak nog eigen voorwaarden op. Voor werkgevers onoverzichtelijk en niet stimulerend. De groep van werkgevers die met de doelgroep aan de slag wil groeit niet en er is nog veel onbekendheid met de stimuleringsmaatregelen.
  • De aannames in de wet blijken niet te kloppen. Veel mensen zijn niet tot werken in staat of zijn niet in beeld bij de gemeente. Van de mensen in de bijstand denkt 60% zelf niet in staat te zijn om te werken.
  • De middelen die gemeenten kunnen inzetten (loonkostensubsidies, proefplaatsingen, no risk etc.) zijn wel belangrijk maar niet toereikend. Met name persoonlijke en continue begeleiding zijn essentieel voor succes.
  • De financiële middelen voor participatie zijn de laatste jaren sterk afgenomen en door de financiële prikkelwerking van de Participatiewet kiezen gemeenten eerder voor mensen die snel kunnen uitstromen en niet voor de mensen die meer hulp nodig hebben.

Het SCP adviseert om de financieringsstructuur zo aan te passen dat het rendeert om juist aandacht te schenken aan mensen met de grootste afstand tot de arbeidsmarkt. Daarnaast moet het systeem veel simpeler en moeten we onze verwachtingen naar meer realistische perspectieven bijstellen. Vooral omdat er jaren van hoogconjunctuur achter ons liggen die meer kansen boden aan de doelgroep van de Participatiewet en bij de te verwachten economische tegenwind deze mensen vaak als eerste weer hun banen verliezen.

Lichtpuntjes

Er zijn ook wat lichtpuntjes. Hoewel het aantal gerealiseerde plaatsen Beschut werk (3277 plaatsen per 1-7-2019 ) nog achterblijft bij de doelstelling (4600 per 1-1-2019), is er sprake van een progressieve trend. Het aantal plaatsen neemt het laatste jaar versneld toe en het lijkt erop dat meer gemeenten nu serieus werk maken van de realisatie. Ook het aantal banen in de Wet Banenafspraak is tot op heden ruim gerealiseerd. Wel betreft het hier vaak tijdelijk werk via uitzend- of detacheringsconstructies. De duurzaamheid van dit werk zal in de komende jaren een bron van zorg blijven.

Reactie kabinet

Het kabinet heeft in meerdere brieven gereageerd op de evaluatie van het SCP. Zo werd in een reactie op een motie uit de Tweede Kamer aangekondigd dat de vrijblijvendheid rondom de invulling van de tegenprestatie eraf gaat. Uit onderzoek blijkt dat 60% van de mensen in de bijstand meent vrijgesteld te zijn van sollicitatieverplichtingen, vaak ingegeven door weinig contactmomenten met de gemeente. Het kabinet vindt dit niet acceptabel en wil hier, zonder inzet van extra middelen, verandering in zien.

Verder is er een Kamerbrief verschenen over de voortgang van het programma Simpel Switchen. Dit programma heeft als doel om de doorgang in de participatieketen te bevorderen en daar waar mogelijk drempels weg te nemen. In de brief van 20 november wordt de stand van zaken weergegeven. Zo wordt onder meer het vervallen van de zoektermijn van 4 weken voor jongeren met een arbeidsbeperking aangekondigd en de versoepeling van de overgang van WW naar bijstand. Ook zal het inzicht in de financiële gevolgen van mensen die aan het werk gaan verbeteren door de lancering van een rekentool.

Aandachtspunten voor cliëntenraden

Niet alles wat fout gaat ligt aan wet- en regelgeving, maar ook aan de interpretatie en uitvoering daarvan. En dat gebeurt door gemeenten. In de praktijk blijkt nog maar al te vaak dat de klant niet centraal staat, maar het systeem en de financiën. Daarom geven wij u 3 tips waar u op kunt letten in 2020.

Tip 1: Volgens de evaluatie Beschut werk haalt slechts 13% de aantallen zoals jaarlijks vastgelegd in een ministeriële regeling. Hier treft u de doelstellingen voor 2020 aan. In de regeling staat onder meer de volgende tekst.
Bij de totstandkoming van de Participatiewet in 2015 zijn middelen aan gemeenten beschikbaar gesteld oplopend tot structureel ruim 30.000 beschut werkplekken tegen een gemiddeld dienstverband van 31 uur per week in 2048. Dit betekent dat gemeenten evenredig meer moeten realiseren bij dienstverbanden van minder dan 31 uur per week en evenredig minder behoeven te realiseren bij dienstverbanden van meer dan 31 uur.
Helaas tellen de meeste gemeenten alleen de plekken en corrigeren niet voor het aantal uur. Omdat het gemiddelde dienstverband onder de 31 uur ligt moeten gemeenten meer plaatsen invullen.

Vraag eens aan uw gemeente hoeveel uur er wordt gewerkt in plaats van alleen het aantal mensen.

Tip 2: De Participatiewet wordt per 1 januari 2020 aangepast.
In artikel 36 wordt het recht op een studietoeslag nu als volgt beschreven: door een structurele medische beperking tijdens de studie geen inkomsten kan verwerven. De vraag is hoe dit wordt vastgesteld. Er is geen wettelijk toetsingskader beschikbaar. Voor UWV heeft dit geen prioriteit omdat het een bovenwettelijke taak is. Toch verwijzen veel gemeenten mensen naar UWV. De gemeente kan zelf regels opstellen om een ruimhartig bereik van die studieregeling mogelijk te maken. Voorbeelden hiervan zijn mensen die al in het doelgroepenregister zijn opgenomen of die van een vso/pro opleiding komen.

Spreek uw gemeente aan op een ruimhartige toepassing!

Tip 3: Er gaat nog veel mis met het verrekenen van inkomsten met de uitkering.
Voor veel uitkeringsgerechtigden is dit een grote drempel om aan het werk te gaan.

Vraag aan uw gemeente of ze al meedoen aan het simpel switch programma van Divosa. Dit programma heeft als doel om knelpunten in de uitvoering weg te nemen.