Vraag
Wij zien regelmatig dat cliënten na hun verhuizing naar een andere gemeente nog kosten voor ondersteuning declareren. Het gaat dan om kosten die zijn gemaakt ná de datum van verhuizing die is vastgelegd in de Basisregistratie Personen (BRP). Voor het meenemen van hulpmiddelen bij een verhuizing naar een andere gemeente kennen wij het convenant meeverhuizen hulpmiddelen. Is er een soortgelijk convenant met betrekking tot diensten zoals hulp bij het huishouden en begeleiding? Mogelijk is er een overlap tussen het verlaten van de oude woning en het betrekken van de nieuwe woning.
Antwoord
Voor het meenemen van hulpmiddelen bij een verhuizing naar een andere gemeente is er inderdaad een convenant dat veel gemeenten hebben ondertekend. Daarin staat hoe om te gaan met de voorzieningen van de verhuizende cliënt en hoe de gemeenten onderling omgaan met de financiering daarvan. Over de overgang van begeleiding en hulp bij het huishouden bij verhuizing naar een andere gemeente zijn er geen afspraken.
Convenant meeverhuizen hulpmiddelen
De achterliggende gedachte is om te voorkomen dat mensen individuele mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen bij de vertrekgemeente moeten inleveren om vervolgens in de nieuwe gemeente dezelfde weer te moeten aanvragen. Dat is belastend en leidt tot onnodige kosten. De gebruikte voorzieningen kunnen vaak niet meer worden ingezet voor iemand anders. Met de afspraken in het convenant kan de cliënt gewoon het hulpmiddel blijven gebruiken, blijft de vertrekgemeente niet zitten met een hulpmiddel en hoeft de nieuwe gemeente geen onnodig hoge kosten te maken.
Bij begeleiding speelt dit allemaal niet. Daarbij moet de nieuwe woongemeente kijken naar wat nodig is en wat voor begeleidingsaanbod er is. Dit geldt ook voor hulp bij het huishouden. Wat is er nodig in de nieuwe woning? Op het moment van de verhuizing stopt de ondersteuningsplicht van de vertrekgemeente en is de nieuwe woongemeente aan zet.
Feitelijk hoofdverblijf of BRP-inschrijving
Voor Wmo-ondersteuning is van belang waar iemand feitelijk woont. De Wmo 2015 gaat in artikel 1.2.1 lid 1 uit van het begrip ‘ingezetene’ bij maatwerkvoorzieningen voor zelfredzaamheid en participatie. Voor de Wmo is het feitelijke hoofdverblijf bepalend, de plaats waar iemand woonachtig is en niet de BRP-inschrijving, al is dat wel een belangrijke aanwijzing die veel gemeenten als administratief aanknopingspunt hebben. Dat is ook logisch want iemand moet ingeschreven zijn op het adres waar hij woont. Dat iemand maar in één gemeente hoofdverblijf kan hebben blijkt uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 september 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285).
Je kunt wel 2 adressen hebben maar de Wmo hoeft alleen ondersteuning te bieden aan de eigen ingezetenen. Ergens is een omslagpunt bij een nieuwe woning. De meeste gemeenten gaan uit van de inschrijving in de gemeente, dus de datum die vastgelegd is in de BRP, maar het kan ook een ander moment zijn.
Werk jij nog niet met de module Wmo van Inzicht Sociaal Domein?
Ontdek hoe onze kennisbank jouw gemeente helpt om Wmo-vraagstukken sneller, eenduidiger en juridisch onderbouwd te beantwoorden.