Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Ut elit tellus, luctus nec ullamcorper mattis, pulvinar dapibus leo.

Is compensatie van de ALO-kop in artikel 24a Pw straks nog wel nodig?

De regels rond het kindgebonden budget en de ALO-kop veranderen de komende jaren. Door wijzigingen in de Awir (2026) en de Participatiewet (2027) ontstaat de vraag of gemeentelijke compensatie nog nodig blijft. In deze blog leggen we uit hoe dit zit en waarom compensatie soms nog nodig blijft.
moeder en dochter op straat met boodschappen

Ouders met weinig inkomen en vermogen kunnen samen kindgebonden budget aanvragen bij Dienst Toeslagen. Als deze ouders gehuwd zijn of samenwonen, zijn zij gewoonlijk toeslagpartners van elkaar. Alleenstaande ouders hebben recht op een verhoging van het kindgebonden budget, de zogenaamde ALO-kop. Als een ouder op papier wel een toeslagpartner heeft, maar feitelijk – financieel gezien – alleenstaande ouder is, compenseert de gemeente nu vaak dat gemis aan extra kindgebonden budget.

Wijzigingen Awir en Participatiewet

In 2027 wordt de compensatie van de ALO-kop opgenomen in artikel 24a van de Participatiewet (Pw). Maar in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) zijn per 1 januari 2026 al enkele uitzonderingen op het partnerbegrip voor toeslagen in werking getreden. Is die wijziging vanuit de Participatiewet in balans dan nog wel nodig?

Ja, die wijziging blijft nodig. Er zullen altijd situaties blijven bestaan, waarin de bijstandsgerechtigde formeel een (niet-rechthebbende) toeslagpartner heeft, maar praktisch gezien in de situatie van een alleenstaande ouder verkeert.

Welke uitzonderingen kent de Awir sinds 2026?

Iemand die een toeslagpartner heeft die feitelijk niet kan bijdragen aan het gezinsinkomen, kan Dienst Toeslagen verzoeken om het toeslagpartnerschap tijdelijk stop te zetten. Dat kan in de volgende situaties:

  • Vermissing: dat moet blijken uit bijvoorbeeld een politierapport.
  • Detentie: bij meer dan 3 maanden, aan te tonen met bijvoorbeeld een detentieverklaring.
  • Vluchtsituatie: de aanvrager van de toeslag is statushouder en was al gehuwd voor het rechtmatig verblijf in Nederland. Én de partner is en was niet eerder ingeschreven in Nederland.

Dienst Toeslagen heeft vaak geen zicht op dergelijke situaties, dus moet de aanvrager van het kindgebonden budget en eventuele overige toeslagen zélf verzoeken om tijdelijk als alleenstaande gezien te worden. En is de uitzonderingssituatie voorbij, dan moet deze dat ook weer aan Dienst Toeslagen doorgeven. Alleen bij een vluchtsituatie heeft Dienst Toeslagen meestal voldoende informatie om de uitzondering ambtshalve toe te passen.

Wanneer blijft compensatie ALO-kop door de gemeente nodig?

Eigenlijk in alle gevallen waarin de ‘feitelijk alleenstaande ouder’ op papier wel een toeslagpartner heeft. Dat is onder andere het geval als:

  • de detentie korter duurt dan 3 maanden. Als de detentie langer duurt, dan is compensatie door de gemeente nog wel nodig voor de eerste 3 maanden;
  • de bijstandsgerechtigde statushouder samenwoont met een niet-rechthebbende partner zonder inkomsten (denk aan een oorlogsmisdadiger die geen status kan krijgen);
  • er met iemand anders een toeslagpartnerschap ontstaat als het partnerschap met de (huwelijks)partner op verzoek tijdelijk verbroken wordt. Bijvoorbeeld omdat de achterblijvende ouder voor een deel eigenaar is van het huis en daarin samenwoont met de andere eigenaar. In 2026 kan het ook nog gaan om de situatie waarin de achterblijvende ouder samenwoont met een andere volwassene en tenminste 1 minderjarig kind (samengesteld gezin).

Samenvattend

Gemeenten moeten er alert op zijn dat iemand kan verzoeken om voor de toeslagen tijdelijk als alleenstaande ouder aangemerkt te worden. Maar ook scherp zijn op situaties waarin het geen of weinig zin heeft om toepassing van de uitzonderingen bij Dienst Toeslagen aan te vragen. Wat zou je bijvoorbeeld doen bij 4 maanden detentie?

Pagina delen op socials

Meer weten over dit onderwerp?

Kris Park helpt je graag verder.

Nieuwsbrief Sociaal Domein

Binnen 5 minuten op de hoogte van de actuele ontwikkelingen in het sociaal domein? Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief. Met onder andere blogs van experts, interessante whitepapers en toelichting op wet- en regelgeving.

Anderen bekeken ook

Participatiewet in Balans? Dan moeten we écht omgekeerd gaan werken

De Arbeidsinspectie benoemde onlangs een kwetsbaar punt in de uitvoering van de Participatiewet. Gemeenten krijgen meer ruimte om maatwerk te leveren aan inwoners die een beroep doen op de bijstand. Een goede ontwikkeling, want menselijke maat, vertrouwen en eenvoud zijn de kern van de Participatiewet in Balans. Maar diezelfde ruimte leidt volgens de inspectie ook tot een risico: ongelijke behandeling. De ene consulent benut de ruimte volop, de andere werkt liever volgens standaardregels. Het gevolg? Er zitten verschillen tussen gemeenten en tussen consulenten binnen één gemeente.

Gedragsverandering op de werkvloer

In aanloop naar de Participatiewet in Balans is één van de meest gestelde vragen: hoe krijgen we de uitgangspunten vertrouwen, eenvoud en menselijke maat nu van papier naar werkelijkheid? Uitdenken wat je wilt is niet zo moeilijk. Het realiseren is veel lastiger. Aan die vraag zitten heel veel aspecten en er zijn veel verschillende interventies denkbaar om medewerkers te helpen om de uitgangspunten in de dienstverlening terug te laten komen. Eén van de instrumenten is het gedragsveranderingswiel of behaviour change wheel (BCW). Wat is dat en wat kun je daar mee in de praktijk?

Gaat de Wmo ook op vakantie?

De Wmo 2015 heeft als doel inwoners te ondersteunen bij hun zelfredzaamheid en participatie, zodat zij zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. Onder participatie wordt verstaan: deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, inclusief sociale activiteiten, recreatie en vrijetijdsbesteding – en daarvoor moet iemand zich ook kunnen verplaatsen. Dit volgt niet alleen uit de Wmo zelf [1], maar ook uit de Memorie van toelichting op de Wmo en het VN-verdrag handicap [2]. Tegelijkertijd bepaalt de Wmo dat ondersteuning zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving moet plaatsvinden. Volgt hier nu uit dat de gemeente Wmo-voorzieningen moet bieden om vakanties mogelijk te maken, of hoeft dat niet?