Hoe ziet de huidige regeling eruit?

In een situatie waarbij 2 ongehuwde personen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben, kan onder bepaalde voorwaarden sprake zijn van een zogenoemde gezamenlijke huishouding. Voor de Participatiewet worden zij dan alsnog aangemerkt als “gehuwd”. Dat kan gevolgen hebben voor het recht op bijstand omdat de uitkeringsnorm voor gehuwden relatief lager is dan die voor een alleenstaande. Verder wordt bij gehuwden rekening gehouden met vermogen en overig inkomen van beide personen. Daardoor kan het voorkomen dat er ook om die reden geen of een lager recht op bijstand bestaat en de één bij moet dragen in de kosten van bestaan van de ander.

De huidige regeling kent 2 uitzonderingsgevallen waarbij ook voor de Participatiewet geen sprake is van “gehuwden”:

  • bij een gezamenlijke huishouding van familieleden in de eerste graad (vader, moeder, dochter of zoon);
  • bij een gezamenlijke huishouding van tweedegraads familieleden (broer, zus, opa of oma). Als extra voorwaarde geldt in deze laatste situatie dat bij 1 van de 2 sprake moet zijn van een zorgbehoefte. Van een zorgbehoefte is sprake als aanspraak bestaat op plaatsing in een Wlz-instelling (langdurige zorg). Of als iemand niet in staat is een eigen huishouding te voeren en aangewezen is op intensieve zorg vanwege lichamelijke, verstandelijke of geestelijke beperkingen.

Wat gaat er veranderen?

In het huidige door de Tweede Kamer goedgekeurde wetsvoorstel is de uitzondering voor tweedegraads familieleden (bloedverwanten) komen te vervallen. Als gevolg daarvan zal in die gevallen ondanks de bestaande zorgbehoefte voor de toepassing van de wet sprake zijn van “gehuwden”. Het inkomen en vermogen van beiden speelt dan mee bij het vaststellen van het recht op bijstand en de bijstandsnorm voor gehuwden geldt.

Waarom?

De aanleiding voor het wetsvoorstel ligt in de rechtspraak. De hoogste bestuursrechter in bijstandszaken, de Centrale Raad van Beroep, heeft geoordeeld dat er sprake is van een ongeoorloofd onderscheid en een ongelijke behandeling in de Participatiewet van samenwonenden bij een bestaande zorgbehoefte. In het daartegen door de gemeente ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad in het arrest van 8 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3081) geoordeeld dat er geen rechtvaardiging is voor een verschillende behandeling van het recht op bijstand van samenwonende broers en zussen en andere ongehuwd samenwonenden als één van hen zorgbehoevend is. De regering heeft naar aanleiding van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en de Hoge Raad besloten het discriminatoire onderscheid op te heffen, door de uitzondering voor bloedverwanten in de tweede graad met zorgbehoefte te schrappen.

De regering is van mening dat er geen rechtvaardiging bestaat voor een afwijkende behandeling van bloedverwanten in de tweede graad ten opzichte van niet-bloedverwanten. Vanwege het discriminatoire karakter is het ongewenst een wettelijke uitzondering te treffen voor (uitsluitend) die eerste groep. Het wetsvoorstel volgt daarmee de lijn van de Hoge Raad en niet die van de Centrale Raad van Beroep door de wettelijke uitzondering te schrappen in plaats van deze ook op niet-bloedverwanten in tweede graad en dus breder toe te passen. Dit zou volgens het wetsvoorstel recht doen aan het uitgangspunt van de Participatiewet, namelijk dat in situaties van een gezamenlijke huishouding rekening wordt gehouden met de middelen van de partner. Het voorstel van de Socialistische Partij (SP) om een uitzondering te maken voor alle gevallen waarin sprake is van een zorgbehoefte (amendement Jasper van Dijk van 4 september 2019) heeft het niet gehaald.

Wilt u meer inzicht in de Participatiewet?

Raadpleeg Inzicht sociaal domein! Heeft u nog geen toegang? Vraag een gratis proefabonnement aan.

Wat zijn de gevolgen voor de burger en gemeenten?

Zoals gezegd is op gehuwden een andere bijstandsnorm van toepassing en zal de gemeente bij de vaststelling van het recht op bijstand rekening moeten houden met de middelen van beide personen. Dat kan tot gevolg hebben dat er geen of een lager recht op bijstand bestaat.

Het wetsvoorstel kent voor bestaande gevallen een overgangsperiode van 24 maanden.

Gedurende deze termijn worden de oude regels toegepast. De aanvraagdatum voor een uitkering is bepalend voor het antwoord op de vraag of het overgangsrecht van toepassing is.

In de toelichting op het wetsvoorstel wordt ingegaan op schrijnende situaties als gevolg van de wijzigingen. De regering wijst in dat verband op het individuele maatwerk dat gemeenten kunnen bieden door de bijstand af te stemmen op de middelen, mogelijkheden en omstandigheden van de burger (artikel 18 , eerste lid, van de Participatiewet). Als tweedegraads bloedverwanten als gevolg van de voorgestelde wijziging afzien van het voeren van een gezamenlijke huishouding en daardoor een opname in een Wlz-instelling aan de orde kan zijn, wordt dat schrijnend gevonden. Een aandachtspunt dus binnen het gemeentelijk onderzoek. Meer concrete aanwijzingen over hoe met deze situaties om te gaan zonder in strijd met de gewijzigde regels te handelen staan niet in de wetstoelichting.

De voorgestelde wijziging is niet voor alle bloedverwanten in de tweede graad en met een zorgbehoefte die van betekenis is. Mensen kunnen namelijk ook samen op een adres wonen zonder dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Bijvoorbeeld in een kostendelerssituatie. Personen die als kostendeler worden aangemerkt, worden niet gelijkgesteld met gehuwden, maar hebben een zelfstandig recht op bijstand.

Wordt het wetsvoorstel daadwerkelijk ingevoerd?

Nu het wetsvoorstel door de Tweede Kamer is aangenomen en de Raad van State geen zwaarwegende tegenargumenten in het advies heeft opgenomen, is invoering van het voorstel een belangrijke stap dichterbij gekomen. De vraag is alleen nog of de Eerste Kamer er ook mee instemt. Heel vanzelfsprekend is dat niet, omdat alleen de leden van de coalitiepartijen voor hebben gestemd en de coalitie geen meerderheid in de Eerste Kamer heeft.

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina