Mensen met een uitkering of arbeidsmigranten?

Toen de discussie in de politiek en de media begon over het terugdringen van het aantal arbeidsmigranten, vroeg ik me al af wanneer de oproep zou komen om daar mensen met een uitkering voor in te zetten. En ja hoor, deze oplossing is weer uit de hoge hoed getoverd. De oplossing voor het terugdringen van het aantal arbeidsmigranten is de inzet van mensen met een (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze mensen willen vaak wel werken, maar het systeem ontmoedigt hen zo is het beeld. Is dat zo? Laten we eens kijken naar de aannames die hieronder zitten.
Mensen met een uitkering of arbeidsmigranten?

Het gewenste effect

Voor ik dit vraagstuk ga afpellen kan ik het niet laten om eerst te zoeken naar de echte vraag. Het argument dat ik steeds hoor om het aantal arbeidsmigranten te verminderen is dat het er veel zijn. Maar waarom is dat een probleem? Pas als dat scherp in beeld is, kunnen we aan een oplossing werken. Gaat het om het woningtekort?  Om het gebrek aan huisartsen? Nu ja, er zijn veel vragen die eerst beantwoord moeten worden voor er een oplossing gevonden kan worden. Maar laten we toch verdergaan op de oplossing die nu is benoemd, het inzetten van mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Willen mensen met een uitkering werken?

Dit heb ik niet wetenschappelijk verantwoord onderzocht, maar van wat ik zelf heb gezien en wat ik van gemeenten hoor kan ik dit volmondig bevestigen. De meeste mensen die een uitkering ontvangen zouden het liefste willen werken. De structuur, zingeving en contacten die werk met zich meebrengt dragen bij aan het welbevinden. Het feit dat 1 op de 6 Nederlanders zich in meer of mindere mate buitengesloten voelt is daarbij veelzeggend. Vooral vrouwen, mensen met een laag inkomen, mensen met een uitkering en migranten geven aan dit te ervaren. Werk kan een mooie oplossing zijn.

Loont uitstroom voldoende?

Het beeld dat uitstroom niet loont is te kort door de bocht. Mensen met een uitkering moeten melden dat ze aan het werk gaan en het klopt dat de uitkering daardoor omlaag gaat. Die uitkering is namelijk een aanvulling op wat mensen zelf kunnen verdienen. Verwerven ze meer inkomsten, dan krijgen ze minder aanvulling. Is dat eerlijk? Het past bij de uitgangspunten die onder de sociale zekerheid liggen, namelijk dat die complementair is aan wat mensen zelf kunnen verwerven. Dat betekent niet dat het mensen niets oplevert. Als iemand gaat werken levert dat in het begin niet direct een veel hoger maandinkomen op, alhoewel mensen er wel degelijk op vooruit gaan (Werk Loont). Maar dit is wel het begin van het (weer) opbouwen van werkervaring, kennis en vaardigheden en pensioen. Op langere termijn levert het zeker veel op.

Werkzoekende + vacature = vervulde functie

Helaas, zo simpel werkt het niet. Als je 100 vacatures hebt en 100 werkzoekenden, dan is het niet zo dat de werkloosheid en de schaarste aan personeel is opgelost. Oók niet als het gaat om werk waar weinig scholing voor nodig is. Ja, een stratenmaker met versleten knieën kan wat anders gaan doen. Maar het is niet zo dat al het werk anders dan straten maken geschikt is. Veel werk voor praktisch geschoolden heeft een fysieke component en dat is met slechte knieën vaak lastig. En nee, dat betekent zeker niet dat we mensen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn aan de kant moeten laten staan. Maar dat gebeurt ook niet.

Mensen in de uitkering en arbeidsmigranten niet uitwisselbaar

Mensen met een uitkering, of het nu werkloosheid (WW of bijstand) of (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid is, zijn geen ‘oplossing’ voor het terugdringen van het aantal arbeidsmigranten. De werkelijkheid is altijd complexer. Wat mij betreft zou er ook een andere vraag gesteld moeten worden; Hoe kunnen we ervoor zorgen dat óók mensen met een uitkering mee kunnen doen? Hoe kunnen we deze mensen het beste helpen om voltijd of deeltijd aan het werk te gaan en duurzaam uit te stromen? Daar wordt al elke dag vol op ingezet door UWV en gemeenten. Denk bijvoorbeeld aan de Maatschappelijke Participatie die vanaf 2027 in de Participatiewet komt. Deze nieuwe bepaling biedt onder meer de bijstandsgerechtigde de mogelijkheid om diens participatie zelf vorm te geven en ondersteuning te krijgen van de gemeente, waar dat nodig is. Valt daar nog wat te leren? Ja, heel veel. En ook dat doen we elke dag.

Pagina delen op socials

Meer weten over dit onderwerp?

Mr. Evelien Meester helpt je graag verder.

Nieuwsbrief Sociaal Domein

Binnen 5 minuten op de hoogte van de actuele ontwikkelingen in het sociaal domein? Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief. Met onder andere blogs van experts, interessante whitepapers en toelichting op wet- en regelgeving.

Anderen bekeken ook

Gerjoke Wilmink nieuw lid Raad van Toezicht Stimulansz

Gerjoke Wilmink verbaasde haar omgeving toen ze het Nibud verliet voor Alzheimer Nederland. Maar voor haar was het een logische stap. Want als ‘mensen laten meedoen in de maatschappij’ je drijfveer is, dan kan dat op veel manieren. Haar rijke carrière als bestuurder bij uiteenlopende organisaties is hiervan het bewijs. Op 1 maart trad zij toe tot de Raad van Toezicht van Stimulansz.

Meedoen: glashelder woord of meer dan het lijkt?

“Jij mag niet meedoen!” Fietsend langs een schoolplein hoor ik roepende kinderstemmen. Een schoolplein, een maatschappij in het klein. Met alles erop en eraan en dus soms ook uitsluiting. Misschien is het zo dat niet iedereen wil meedoen, maar buitengesloten worden van meedoen en daar geen keuze in hebben wil niemand. Meedoen, mee-doen, het lijkt op het eerste gezicht zo’n makkelijk woord. Een helder alternatief voor het deftiger ‘participatie’. Maar is meedoen echt zo’n helder woord? 2 korte woorden, één geheel. Laten we er eens naar kijken.

Waar gaat jouw vuurtje van branden?

Afgelopen week mocht ik spreken op een bijeenkomst waarbij verschillende partijen gezamenlijk aan eenzelfde doel werken. Nu doe ik dat wel vaker en elke keer met veel plezier maar dit keer waren we te gast op een wel heel bijzondere plek: De Stadskamer. Wat zou het mooi zijn als elke gemeente zo’n plek had! Een terugkerende vraag in het verhaal van de Stadskamer was: waar gaat jouw vuurtje van branden? Nou, dat van mij van dit soort initiatieven!