0

Dit staat in artikel 11, 1e lid van de Participatiewet (PW). Het is een draak van een zin. Maar deze draak vormt de basis voor de beoordeling van het recht op bijstand. Bijstand is er voor degenen die geen middelen hebben om in de kosten van levensonderhoud te voorzien.

Wat wordt er bedoeld met middelen?

We lezen: middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan. Het gaat dus om financiële middelen en niet om verdovende middelen of hulpmiddelen. Maar dan blijft de vraag: wat zijn dan precies de middelen waar artikel 11 PW wel op doelt?

Deze vraag wordt elders in de Participatiewet beantwoord: een middel is pas een middel als je er redelijkerwijs over kunt beschikken (artikel 31 PW) en middelen bestaan uit inkomen (artikel 32 en 33 PW) of vermogen (artikel 34 PW). Eerst beantwoord je dus de vraag of iemand echt kan beschikken over een middel, vervolgens bepaal je of er sprake is van inkomen of vermogen. Een goede vuistregel hiervoor is:

inkomen

  • is periodiek
  • is gericht op levensonderhoud
  • valt samen met de bijstandsperiode

en al het andere is dan vermogen. Toch is het niet zo simpel en valt het soms niet mee om te bepalen of een middel inkomen of vermogen is. Een periodieke uitkering kan bijvoorbeeld onder omstandigheden tot het vermogen behoren en een eenmalige uitkering tot het inkomen. En zelfs wanneer het om eenzelfde soort middel gaat, is het in het ene geval inkomen en in het andere vermogen. Bijvoorbeeld bij een lening.

Een lening is een middel

Een lening is op zichzelf niet uitgesloten van het middelenbegrip. Dit volgt uit vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138) die nog steeds actueel is (ECLI:NL:CRVB:2022:11). Voor een betrokkene is het echter lastig te volgen. En ook als professional sta ik er wel eens van te kijken wat er gebeurt. Bijvoorbeeld in deze uitspraak: ECLI:NL:CRVB:2020:2584. Betrokkene ontvangt € 360,- als lening en betaalt dit meteen -dezelfde dag- door aan een deurwaarder. Desalniettemin wordt het gezien als inkomen waar vrijelijk over beschikt kan worden en daarom aan levensonderhoud kan worden besteed. Betrokkene heeft niet gemeld dat hij deze lening kreeg. Het gevolg is dat hij bijstand moet terugbetalen en een boete krijgt.

Een lening is geen middel

In de aanvraagfase wordt hier anders mee omgegaan. Wanneer iemand geen inkomen heeft, een uitkering aanvraagt en tussen de melding en de beslissing op de aanvraag een lening aangaat om in het levenshoud te voorzien, is die lening geen middel. Die lening wordt dan gelijkgesteld met een voorschot. De lening doet dan namelijk niet af aan de bijstandbehoevende omstandigheden. Ook dit is vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2015:3188) die nog steeds ‘geldig’ is.

Uit dit voorbeeld blijkt dat het niet zo eenvoudig is om te bepalen wanneer er sprake is van een middel in de zin van de Participatiewet. En dan hebben we het nog niet gehad over het kunnen beschikken over de middelen, of over het wel of niet in aanmerking (moeten) nemen van een middel. Er moeten dus verschillende stappen worden gezet om tot een goede afweging te komen. Een stappenplan is dan handig.

Wilt u hiervan meer weten? We behandelen dit stappenplan en meer in de online training Middelen voor de Participatiewet op 19 september van 13.00 tot 16.00 uur. Komt u ook?      

Geselecteerd op basis van dit onderwerp