Wijzigingen rondom terugvordering
Het uitgangspunt blijft dat de gemeente met terugvordering van een onterecht betaalde uitkering een legitiem doel dient. Tegelijkertijd verplicht het wetsvoorstel de gemeente in bepaalde situaties nadrukkelijker rekening te houden met de concrete omstandigheden van het geval. Het wetsvoorstel maakt dit op verschillende manieren mogelijk:
- Terugkijkperiode van 5 jaar vanaf het terugvorderingsbesluit, tenzij er sprake is van strafverzwarende omstandigheden;
- Afzien van terugvordering als de te hoge uitkering het gevolg is van handelen of nalaten van de overheid;
- Afzien van terugvordering over de periode waarin de gemeente langer dan 6 maanden niet heeft gereageerd op een concreet signaal.
Verkorte terugkijktermijn
Met het wetsvoorstel wordt de maximale terugkijkperiode voor herziening/intrekking en terugvordering beperkt tot 5 jaar, gerekend vanaf de datum van het terugvorderingsbesluit.
Dit beschermt inwoners tegen zeer hoge terugvorderingen en grote administratieve lasten vanwege bewijsstukken die lang bewaard moeten blijven. Daarmee wordt de terugvordering meer in overeenstemming gebracht met het uitgangspunt van evenredig handhaven.
Bij strafverzwarende omstandigheden (bewust misbruik) kun je tot 20 jaar terugkijken.
Handelen of nalaten gemeente
Wanneer een uitkering door handelen of nalaten van de gemeente te hoog is vastgesteld én het de inwoner niet redelijkerwijs duidelijk was dat hij een te hoge bijstandsuitkering ontving, dan ziet de gemeente in beginsel af van terugvordering van het betaalde bedrag (artikel 58 lid 9 onder a nw Pw). Terugvorderen is wel mogelijk als het betrokkene redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat hij ten onrechte bijstand ontving.
Er is beleidsruimte om als gemeente nader in te vullen wanneer sprake is van ‘redelijkerwijs duidelijk’. Je kunt in beleidsregels bijvoorbeeld invulling geven aan bepaalde factoren, zoals de (mate van) informatievoorziening door de gemeente, de complexiteit van de situatie en de hoogte van het verschil tussen het bedrag van de ontvangen en de juiste uitkering. Hoe complexer de situatie en hoe kleiner het verschil tussen de ontvangen en de juiste uitkering, hoe minder snel kan worden aangenomen dat het de inwoner redelijkerwijs duidelijk was dat hij te veel uitkering ontving.
Traag handelen van de gemeente
Het wetsvoorstel beschermt de inwoner ook beter tegen traag handelen van de overheid. De zogenoemde zesmaandenrechtspraak wordt in de wet vastgelegd. Ontvangt de gemeente een concreet signaal waaruit blijkt dat iemand te veel uitkering krijgt, en onderneemt de gemeente vervolgens langer dan 6 maanden geen actie? Dan kan het bedrag dat onverschuldigd is betaald, in beginsel na die 6 maanden niet meer worden teruggevorderd (artikel 58 lid 9 onder b nw Pw).
Hiermee wordt meer nadruk gelegd op de eigen verantwoordelijkheid van de overheid om tijdig te reageren op beschikbare informatie.
Let op: Het gaat niet alleen om concrete signalen van de inwoner zelf (zelfmelding), maar óók om concrete signalen uit een direct toegankelijke administratie. Dat is nieuw. De zesmaandenrechtspraak heeft tot nu toe alleen betrekking op signalen van de inwoner zelf. Met deze codificatie wordt het dus breder. Op dit moment bestaat er nog geen direct toegankelijke administratie. Meestal is er namelijk nader onderzoek nodig. In de nabije toekomst kan de polisadministratie mogelijk wel zo’n direct toegankelijke administratie worden.
De codificatie van de zesmaandenrechtspraak betekent overigens niet dat de bevoegdheid om terug te vorderen vervalt als de gemeente niet binnen 6 maanden een besluit neemt. Het gaat enkel om de periode (waarover teruggevorderd kan worden).
Dringende reden blijft nodig
Ondanks deze nieuwe waarborgen kunnen zich situaties blijven voordoen waarin een terugvorderingsbesluit onevenredig uitpakt. De dringende reden blijft belangrijk om in individuele gevallen maatwerk te kunnen bieden als betrokkene onnodig nadeel lijdt door een op zich legitiem terugvorderingsbesluit.
De rechtspraak van 18 april 2024 e.v. (ECLI:NL:CRVB:2024:726) wordt nu gecodificeerd in artikel 18 lid 8 Pw en 18a lid 9 Pw.
Casus: vorder je terug?
Anna vraagt informatie bij de gemeente over proefsamenwonen in de bijstand, omdat ze dit wil uitproberen met Lev. (De gemeente voert hiervoor geen beleid). De proef is een succes en uiteindelijk gaan ze écht samenwonen, maar Anna vergeet om het samenwonen te melden bij de gemeente. Na een jaar komt de gemeente er toch achter. Omdat Lev inkomen heeft, moet de uitkering over de afgelopen maanden worden herzien. Moet je gaan terugvorderen?
Is de inlichtingenplicht geschonden?
Ja. Het verzoek om informatie geldt niet als een melding. Zie ook CRvB 20 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:407.
Je hoeft niet naar de terugkijktermijn te kijken, want het is sowieso niet langer dan 5 jaar geleden.
Was betrokkene redelijkerwijs duidelijk dat de bijstand te hoog was?
Ja, in principe wel, tenzij Anna door mededelingen van de gemeente op het verkeerde been was gezet. Je zult daarin je eigen rol als gemeente moeten onderzoeken.
Is er sprake van een concreet signaal van inwoner zelf (zelfmelding)?
Er is geen sprake van zelfmelding, omdat er alleen een vraag over proefsamenwonen is gesteld. Er is sprake van schending inlichtingenplicht.
Is er sprake van een concreet signaal uit een voor gemeente toegankelijke administratie?
Als Anna zich in de BRP heeft ingeschreven op het adres van Lev, dan mogelijk wel. Echter op dit moment is meestal nog wel aanvullend onderzoek nodig bij signalen uit de BRP, RDW of Suwinet. Dus dan is het geen concreet signaal uit een direct toegankelijke bron.
Is er sprake van een dringende reden?
Je kunt je afvragen of de nadelige gevolgen voor Anna en Lev in verhouding staan tot het reparatoire doel dat een terugvordering heeft. Je zou dus moeten afwegen of er sprake is van een dringende reden.
Besluit:
Gedeeltelijk afzien van terugvordering is in dit geval verdedigbaar als er sprake is van een dringende reden.
Wat betekent de wetswijziging voor gemeenten?
Gemeenten krijgen meer ruimte om bij terugvordering rekening te houden met de omstandigheden van het individuele geval, maar moeten die afweging ook expliciet maken en vastleggen. Gemeenten zullen hun werkprocessen moeten aanpassen aan de nieuwe wetgeving. Daarbij gaat het niet alleen om de uitvoering, maar ook om beleid en interne werkinstructies. Denk bijvoorbeeld aan keuzes over de invulling van ‘redelijkerwijs duidelijk’ en de beoordeling van concrete signalen.
Als gemeente moet je alert zijn op signalen, moet je doorvragen en beoordelen in welke gevallen je op korte termijn contact opneemt met de inwoner. Zo ontstaat meer ruimte voor maatwerk bij terugvordering en krijgt het uitgangspunt van evenredig handhaven een duidelijkere plaats binnen het terugvorderingsbeleid.
Hoe nu verder?
Op 2 juli 2026 heeft de Tweede Kamer ingestemd met de Wet handhaving sociale zekerheid. De behandeling in de Eerste Kamer moet nog plaatsvinden. De beoogde invoeringsdatum is 1 januari 2027.
Wil je meer informatie over wat er wijzigt en wat er van gemeenten wordt verwacht? Lees dan de ‘Handreiking Handhaving door gemeenten’. De handreiking is geschreven in opdracht van en in samenwerking met VNG en het ministerie van SZW. Hierin staat de materie uitgewerkt, met besluitvormingsschema’s en praktische voorbeelden.
Wil je door onze experts meegenomen worden in het nieuwe wetsvoorstel? Tijdens de training Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid voor de Participatiewet krijg je inzicht in wat er verandert, wanneer de wet in werking treedt en wat dit betekent voor de uitvoering.