Er zijn verschillende manieren om te kijken naar de rol van de gemeente. Deze taakopvatting heeft onmiskenbaar invloed op de manier waarop het werk wordt gedaan. Ziet de professional de verstrekte voorziening als een recht of een gunst? Vindt hij dat mensen er wat voor moeten terug doen? Hoe ver moeten inwoners gaan om hun problemen zelf op te lossen?

Inwoners helpen of claims beoordelen

Er zijn verschillende opvattingen denkbaar over de taak die de gemeente heeft in de samenleving. Is het de taak van de gemeente om iemand te helpen of om de bijstandsuitgaven tot het minimum te beperken? Het lijkt ongeveer hetzelfde, maar het verschil is wezenlijk. Neem bijvoorbeeld de aanvraag van iemand die niet alle gegevens overlegt aan de gemeente.

Heeft de bijstandsconsulent de taakopvatting om enkel te controleren of er recht bestaat, dan zal hij snel de aanvraag buiten behandeling stellen omdat de gegevens niet compleet zijn. Heeft hij als taakopvatting dat hij mensen moet helpen, dan belt hij naar de aanvrager waar de gegevens blijven en of hij nog ergens mee kan helpen. Dit hangt natuurlijk nauw samen met het mensbeeld dat iemand heeft. Probeert de aanvrager de gemeente een poot uit te draaien, of is hij kwetsbaar en heeft hij hulp nodig?

De manier waarop we naar mensen en onze taak kijken zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat leidt tot ongelijkheid, omdat de ene consulent doorzoekt naar een oplossing tot hij iemand echt verder geholpen heeft, terwijl de andere consulent de verantwoordelijkheid volledig bij de inwoner laat en na een afwijzing niet verder kijkt.

Plato, Aristoteles en Rousseau over de verhouding tussen overheid en inwoners

Het verschil tussen ‘helpen’ en ‘claim beoordelen’ is heel concreet. Dit komt voort uit een (onbewuste) overtuiging over hoe de verhouding tussen overheid en inwoners zou moeten zijn. Grote denkers hebben daar boeken vol over geschreven.

Zo ziet Plato een ideale staat waarin iedereen gelijke kansen heeft, ongeacht afkomst, geslacht, status of geld. De regering heeft volgens Plato de verantwoordelijkheid om burgers vanaf hun geboorte te vormen tot eerlijke, waarheidlievende en rationele mensen. Als je mensen goed behandelt, dan krijgen ze een goed ontwikkeld gevoel voor rechtvaardigheid.1

Aristoteles ziet als rol van de wetgever om mensen in staat te stellen gelukkig te zijn. Gelukkige mensen doen – zo stelt hij – altijd de goede dingen en zijn daarmee waardevol voor de samenleving. Om deze zware taak te kunnen vervullen, moet de wetgever volgens Aristoteles gebruikmaken van alle wetenschappelijke kennis, zoals strategie, economie en kennis van de ziel. Aristoteles maakt concreet wat hij onder geluk verstaat: geld, vrienden en zeggenschap.2

Een heel ander standpunt vinden we bij Rousseau. Hij vergelijkt een (politieke) samenleving met een gezin. De leider is het evenbeeld van de vader, het volk de kinderen. Alle burgers zijn gelijk- en vrijgeboren, zij dragen hun vrijheid over aan de staat voor zover dat nuttig is voor henzelf.3 Dit betekent dat rechtmatig gezag – de overheid – voortkomt uit wederzijdse toestemming.

Werken, geen overlast veroorzaken en klimaatdoelen behalen

Er zijn natuurlijk nog meer punten waarover professionals verschillend kunnen denken over hun taakopvatting. Hoe belangrijk vindt hij het dat inwoners de maatschappelijke ladder kunnen beklimmen? Is een beetje hulp zodat iemand niet door het ijs zakt genoeg? Of willen we iemand kansen bieden om verder te komen?

Willen we inwoners allemaal vormen naar een ideaalbeeld of accepteren we écht dat mensen anders zijn dan de mannen en vrouwen die de regering vormen? Op deze vraag wordt meestal een politiek correct antwoord gegeven (‘iedereen mag zichzelf zijn’), maar bij doorvragen blijken professionals wel te willen dat iedereen waar mogelijk werkt, geen overlast veroorzaakt en meewerkt aan het behalen van de klimaatdoelen. Dat is natuurlijk uitstekend, maar het is wel belangrijk om hier – in ieder geval tegen uzelf – eerlijk over te zijn.

Taakopvattingen inzichtelijk maken met stellingen

Aan de hand van diverse stellingen kunnen we de taakopvattingen wat meer inzichtelijk maken. Een eerste belangrijke les voor medewerkers is al om te zien dat collega’s soms heel anders over die taken denken dan zijzelf.
Stellingen die in ieder geval aan de orde kunnen komen zijn:
• De intaker of aanvraagconsulent moet zoveel mogelijk mensen buiten de deur houden. Of: buiten de deur houden wie hier niet binnen hoort, en over de drempel helpen wie hier wel hoort maar daartoe niet zelf in staat is.
• Als mensen een voorziening krijgen, dan moeten ze daar uiteraard iets voor terug doen. Of: het is een recht, ze hoeven er niets voor terug te doen.
• Het is de taak van de gemeente om te zorgen dat mensen net voldoende hebben om zichzelf te redden. Of: het is de taak van de gemeente om te zorgen dat mensen zich kunnen ontwikkelen en de maatschappelijke ladder kunnen beklimmen.
• Het is de taak van de overheid om mensen te vormen tot eerlijke, fatsoenlijke mensen. Of: we accepteren dat iedereen anders is en aanvaarden de consequenties hiervan.

Door deze onderliggende overtuigingen te bespreken leren potentiële samenwerkingspartners elkaar beter kennen en begrijpen. Wederom een stapje dichterbij een goede samenwerking.

Noten

  1. Plato, vertaling Gerard Koolschijn (1998). Constitutie Politeia. Amsterdam: Querido’s Uitgeverij BV.
  2. Aristoteles, vertaling Christine Pannier & Jean Verhaeghe (1999). Ethica. Groningen: Historische Uitgeverij.
  3. Rousseau, Jean-Jacques, vertaald en ingeleid door Bert van Roermund (2015). Het maatschappelijk verdrag. Amsterdam: Uitgeverij Boom. (p. 55)

Op 18 november is het handboek ‘Maatwerk in het sociaal domein’ van Evelien Meester verschenen.

Onmisbaar voor de professional in het sociaal domein, omdat het antwoord geeft op prangende vragen en concrete handvatten biedt om verantwoord maatwerk te leveren, vanzelfsprekend binnen de wet.

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina