Is het toegestaan om medewerkers die bezig zijn met de uitvoering van hun werk te filmen en de videobeelden op internet te plaatsen? Of wordt daarmee het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (recht op privacy) van de medewerkers geschonden? Recent was deze vraag aan de orde in een zaak bij rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2020:318). In deze zaak vroeg de William Schrikker Groep (WSG) de voorzieningenrechter om een vader en moeder te gebieden een video van internet te verwijderen.  In deze video was  te zien  dat hun dochter van bijna een jaar oud door medewerkers van WGS uit huis werd geplaatst. De vader voorzag de video van commentaar en suggereerde dat er geen grond was voor de uithuisplaatsing en dat sprake was van kinderhandel.

Privacy versus het recht op vrijheid van meningsuiting

In deze zaak staan twee grondrechten tegenover elkaar. Aan de ene kant het recht op vrijheid van meningsuiting, waarbij moeder aangeeft dat zij via plaatsing van de video misstanden bij jeugdzorg en de politie aan de kaak wil stellen. Aan de ander kant het recht op privacy, waarbij het voor de medewerkers van WSG van belang is dat zij veilig hun werk kunnen doen zonder verdachtmakingen waardoor hun goede naam wordt aangetast. De kern van deze zaak is de vraag welk grondrecht voor gaat. De Voorzieningenrechter oordeelt dat door het openbaar maken van de video, de brief en de uitlatingen op Facebook de medewerkers van WSG in een kwaad daglicht zijn gesteld en dat de reacties van andere mensen hierop als bedreigend kunnen worden aangemerkt. Dit maakt dat sprake is van schending van het recht op privacy van de medewerkers van WSG. In deze zaak weegt het belang van de medewerkers van de WSG dus zwaarder dan het belang van de ouders, ook omdat van de door moeder genoemde misstanden niets is gebleken, aldus de voorzieningenrechter. De ouders moesten de video dan ook van het internet verwijderen.

Filmen in je eigen huis

In de hierboven besproken zaak werd het plaatsen van de video op internet onrechtmatig bevonden, maar de vraag of de ouders de medewerkers überhaupt mochten filmen is niet aan de orde geweest. Daarover kunnen we het volgende zeggen: Het filmen van personen in een niet-openbare ruimte, zoals in een huis, is verboden tenzij je dit duidelijk aankondigt en een zwaarwegende reden hebt om op deze manier mensen te filmen. Dit staat in artikel 139f van het Wetboek van Strafrecht. Het maakt daarbij niet uit of de camera ergens is aangebracht of wordt vastgehouden door de fotograaf of cameraman. In bovenstaande zaak was het de medewerkers van WSG duidelijk dat zij werden gefilmd, dus van een misdrijf op grond van het Wetboek van Strafrecht was geen sprake.
Hoe zit het dan met de AVG, vraagt u zich misschien af. In het kader van privacy geldt als hoofdregel dat wanneer je een video maakt voor jezelf, dus enkel voor persoonlijke of huishoudelijke doeleinden, de AVG niet geldt. Voorwaarde is dan wel dat je die video voor jezelf houdt of hooguit in zeer beperkte kring deelt. Het filmen van de medewerkers in je eigen huis nadat je  kenbaar hebt gemaakt dat je aan het filmen bent is dus niet verboden, het plaatsen van deze video op internet wel.

Wilt u meer grip op privacy in het sociaal domein?

Dat kan met onze juridische kennisbank Inzicht Sociaal Domein

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina