Hoe ziet de huidige wettelijke regeling er uit?

Wanneer twee ongehuwde personen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben, is er vaak sprake van een gezamenlijke huishouding. Voor de Participatiewet worden zij dan aangemerkt als gehuwden. Dit houdt in dat zij (ieder) een lagere uitkering zullen ontvangen dan als alleenstaande en dat rekening wordt gehouden met vermogen en overig inkomen van beide personen. Het kan dus voorkomen dat er om die reden geen of een lager recht op bijstand bestaat en de één moet bijdragen in de kosten van de ander.

In twee situaties is er geen sprake van gehuwden in de zin van de Participatiewet, ondanks het feit dat strikt genomen aan de voorwaarden voor een gezamenlijke huishouding is voldaan:

  • bij een gezamenlijke huishouding van familieleden in de eerste graad (vader of moeder met dochter of zoon);
  • bij een gezamenlijke huishouding van tweedegraads familieleden (broer en zus, of kleinkind met oma).

Als extra voorwaarde geldt in de laatste situatie dat bij één van de twee sprake moet zijn van een zorgbehoefte. Dit is het geval als aanspraak bestaat op plaatsing in een Wlz-instelling (langdurige zorg) of als iemand niet in staat is een eigen huishouding te voeren en aangewezen is op intensieve zorg vanwege lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen.

Waarom werd een aanpassing van de wet noodzakelijk geacht?

Eind 2016 oordeelde de Centrale Raad van Beroep, de hoogste bestuursrechter in bijstandszaken, dat er in de Participatiewet sprake is van ongeoorloofd onderscheid en een ongelijke behandeling van samenwonenden met een zorgbehoefte (ECLI:NL:CRVB:2016:4487). De Centrale Raad is van oordeel dat de beperking van de uitzondering tot bloedverwanten in de tweede graad een ongerechtvaardigd onderscheid in behandeling van gelijke gevallen zou zijn. De uitzondering zou dus ook moeten gelden voor alle andere personen die een gezamenlijke huishouding voeren en waarvan er één een langdurige zorgbehoefte heeft.

In het daartegen door de gemeente ingestelde cassatieberoep bevestigde de Hoge Raad in het arrest van 8 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3081) dat het onderscheid discriminatoir is, maar vernietigde het oordeel van de Centrale Raad als zijnde in strijd met de uitgangspunten van de Participatiewet; namelijk dat in situaties waarin sprake is van een gezamenlijke huishouding rekening wordt gehouden met de middelen van de partner.

De regering heeft naar aanleiding van de uitspraken van de Centrale Raad en de Hoge Raad besloten de wet te wijzigen en het discriminatoire onderscheid op te heffen, door de uitzondering voor bloedverwanten in de tweede graad met een zorgbehoefte te schrappen. Het ingediende wetsvoorstel volgde daarmee de lijn van de Hoge Raad en niet die van de Centrale Raad. Die was van oordeel dat de uitzondering breder, dus ook op niet-bloedverwanten in de tweede graad, toegepast zou moeten worden. Door de Eerste Kamer is nu in meerderheid tegen het wetsvoorstel gestemd. Dit betekent dat de wet vooralsnog ongewijzigd blijft en dus de uitzonderingspositie voor tweedegraads bloedverwanten waarvan er één is aangewezen op langdurige zorg, gehandhaafd blijft.

Wat zijn de gevolgen van de verwerping van het wetsvoorstel?

Als het wetsvoorstel wet was geworden, dan moest er bij de vaststelling van het recht op bijstand in alle gevallen waarin een langdurige zorgbehoefte speelt rekening worden gehouden met de middelen van beide personen. Dat zou dan dus kunnen betekenen dat er geen of een lager recht op bijstand bestaat.

Nu de wetswijziging niet doorgaat zullen gemeenten en de SVB zich in hun besluitvorming aan de letter van de nu geldende wet moeten houden. De uitzondering op de hoofdregel bij een langdurige zorgbehoefte geldt dus alleen voor samenwonende bloedverwanten in de tweede graad. De rechter zal bij een eventuele volgende zaak opnieuw uitspraak doen. Hierbij heeft de rechter de keuze tussen het ruimer toepassen van de uitzonderingsbepaling, namelijk ook op samenwonende niet-bloedverwanten met een zorgbehoefte, of het geheel buiten toepassing laten van de uitzonderingsbepaling.

Overigens kan in gevallen waarin de huidige wettelijke regeling tot een schrijnende situatie leidt, ook maatwerk geboden worden met toepassing van de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid van de Participatiewet. Op grond van deze bepaling kan de gemeente de hoogte van de bijstand afstemmen op de individuele omstandigheden. Als toepassing van de gehuwdennorm zou betekenen dat de verzorgende bloedverwant verhuist en de zorgbehoevende moet worden opgenomen in een Wlz-instelling, dan zou dit als een schrijnende situatie kunnen worden beoordeeld en kan maatwerk worden toegepast.

Wilt u meer inzicht in de Participatiewet?

Dat kan met onze juridische kennisbank Inzicht Sociaal Domein

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina