Herkent u de volgende situatie?

Er komt een melding binnen bij het Wmo-loket van een cliënt die aangeeft begeleidingsvragen te hebben en u gaat op huisbezoek. De cliënt blijkt psychiatrische problemen te hebben en hij en zijn vrouw vertellen veel over waar ze dagelijks tegen aan lopen. Er zit niet echt een lijn in dit verhaal en het gesprek gaat over veel verschillende problemen die men ervaart. U verzamelt alle informatie en na het gesprek aan u de schone taak om dit alles te verwerken tot een objectiveerbaar besluit. U moet van alle bomen weer een overzichtelijk bos maken. Maar hoe?

Of wat te denken van deze casus?

Een man met een verstandelijke beperking heeft al jaren vanuit de oude AWBZ een indicatie voor begeleiding. De afgelopen jaren was er sprake van overgangsrecht en later is de indicatie steeds verlengd. Nu is het tijd voor een gedegen herindicatie-onderzoek. U gaat op huisbezoek en het gevoel bekruipt u dat de indicatie wel erg ruim is gesteld. U wilt goed onderbouwen waarom u de indicatie omlaag wilt schroeven. Maar hoe doet u dat?

Twee situaties die in de dagelijkse praktijk veel voorkomen en waarbij het een uitdaging is om te komen tot een goed gemotiveerde omvang van de indicatie begeleiding. Er is een aantal valkuilen bij  het indiceren van begeleiding die u moet zien te vermijden. De meest voorkomende heb ik in een top 5 gezet:

1. U wordt niet concreet.

In het eerste voorbeeld vertellen de cliënt en zijn vrouw honderduit en op de vraag “wat lukt er niet, waar loopt u tegenaan?” antwoorden zij “niets lukt en we lopen overal tegenaan!”. Maar wat betekent dat? Om daar achter te komen, zult u concreet moeten worden. U zult door moeten vragen en soms verder graven dat u normaal zou doen.

2. U vraagt geen medisch advies aan.

In de tweede situatie is er sprake van een indicatie die al jaren is zoals hij is. Om tot een goed onderbouwd besluit te komen, zult u niet alleen af moeten gaan op de informatie uit het dossier en het gesprek met de cliënt, maar ook van medisch objectiveerbare feiten. U zult een zorgvuldig onderzoek moeten doen en een medisch advies hoort daarbij.

3. U heeft niet helder wat gebruikelijke hulp betekent in relatie tot begeleiding.

Is het gebruikelijk dat een echtgenote haar man iedere dag helpt bij het douchen? Is het gebruikelijk dat een moeder voor haar volwassen zoon alle regeltaken overneemt? Hier zult u duidelijkheid over moeten hebben en het gesprek over aan moeten gaan met de betrokkenen: de cliënt en zijn huisgenoten.

4. U gaat bij niet-gebruikelijke hulp automatisch uit van mantelzorg.

Zodra een huisgenoot taken overneemt die niet-gebruikelijk zijn, is er niet persé sprake van mantelzorg en daarmee dus aanspraak op ondersteuning. Soms gaat het om niet-gebruikelijke taken die iemand wél kan overnemen.

5. U formuleert geen doelen.

Als u een indicatie stelt voor begeleiding is het van belang dat u daar ook doelen aan koppelt. Doet u dat niet, dan valt er niets te evalueren met de cliënt. Op die manier kan de indicatie jaren doorlopen en kost het uw gemeente veel geld. Maar ook de cliënt is er niet mee geholpen want hij of zij wordt niet passend begeleid.

Als u om deze valkuilen heen manoeuvreert zult u merken dat het indicatieproces makkelijker verloopt.

Valkuilen bij het indiceren van begeleiding in de Wmo vermijden?

Volg dan nu de training ‘Wmo-begeleiding: van onderzoek tot indicatie’

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina