Sinds 2013 moeten nieuwkomers hun eigen inburgering regelen en betalen. Daarmee worden ze overvraagd, bleek al snel. Dat de verantwoordelijkheid terug gaat naar gemeenten, vindt Marco Florijn, toezichthouder bij Stimulansz en oud-wethouder van Rotterdam en Leeuwarden een significante verbetering. Daarnaast is hij voorzitter van de NVVK, de branchevereniging voor schuldhulp en sociaal bankieren.

Vooral de mogelijkheid om lokaal maatwerk te leveren aan statushouders en gezinsmigranten ziet Florijn als winst. “Nederland heeft een activerend systeem, gebaseerd op het idee dat je zoveel mogelijk meedoet in de samenleving. Waarbij je, als je dat niet kan, ondersteund wordt. Maar netwerken en structuren verschillen sterk in gemeenten.” One size fits all werkt om die reden niet, vindt hij.

In de passiviteit geduwd

Daarnaast is voor statushouders de overgang vanaf het moment van aankomst naar de nieuwe woonplaats en wat daar van hen verwacht wordt groot. “Als het druk is in de asielketen verblijven zij best lang in het asielzoekerscentrum. Met een beetje daggeld, voeding en kleding. Zo worden mensen in de passiviteit geduwd.” Eenmaal toegewezen aan een gemeente moeten ze opeens alles zelf doen. En dan gaat het vaak mis, zegt Florijn. “Mijn idee is dat je iemand niet met een ommekeer van 180 graden van het ene in een ander systeem kunt droppen. Dat leidt tot problemen, helemaal als mensen ook nog in een schuldensituatie zitten. Bijvoorbeeld omdat ze geld hebben moeten lenen voor hun reis. Vluchten is duur, maar dat besef ontbreekt nogal eens bij instanties.”

Geldstress

In combinatie met taalproblemen en onbekendheid met hoe alles in Nederland financieel is geregeld, een recept voor ellende, weet Florijn: “Financiële stress maakt dat je niet naar de toekomst kan kijken, een inzicht dat in de schuldhulpverlening is ontstaan. Simpel gezegd gaan je grote hersenen uit en schakel je over op je kleine hersenen, waar reflexreacties en directe prikkels worden aangestuurd. Dan koop je bijvoorbeeld iets duurs, omdat je net geld op je bankrekening hebt gekregen. Zonder erbij stil te staan dat je ook je zorgverzekeringspremie nog moet betalen.” Florijn bepleit daarom ‘een investering aan de voorkant, met een intensief programma met financiële educatie en budgetadvies’. “Het helpt dat gemeenten nu een aanloop kunnen nemen, om de financiële situatie van nieuwkomers in beeld te krijgen en te beoordelen of zij kunnen omgaan met het ingewikkelde Nederlandse systeem.”

Die ‘aanloop’ is in de nieuwe inburgeringswet de afspraak dat statushouders in hun nieuwe woonplaats niet meteen op zichzelf zijn teruggeworpen, maar minimaal een half jaar financieel ‘ontzorgd’ worden. Vanuit de Participatiewet worden vaste lasten door de gemeente betaald. Op basis van een individuele afweging kan het ontzorgen daarna eventueel nog worden voortgezet.

Kennis weggezakt

Inburgering beleggen bij gemeenten mag dan een vooruitgang zijn, het betekent wel dat gemeenten op de hernieuwde taak voorbereid moeten zijn. In het verleden hadden sommige gemeenten inburgeringsspecialisten, maar die kennis zakte in de loop der tijd weg of verdween. Florijn: “Als bestuurder moet je beginnen met je af te vragen of inburgeringskennis nog voldoende aanwezig is. Vaak zal het uitdraaien op opnieuw expertise opbouwen en op de keten goed leren kennen.” Hij herinnert zich het moment dat de eerste lichtingen Syrische vluchtelingen naar Nederland kwamen. “Toen zagen we dat gemeenten expertise uit alle hoeken en gaten moesten halen of weer opwarmen. Gelukkig is destijds wel het besef geland dat we die mensen niet goed kónden begeleiden, terwijl ze allemaal onder de Participatiewet vielen.”

Aan de vooravond van de nieuwe wet is er nog wel tijd voor een betere voorbereiding. ‘Al kan het nodig zijn dat gemeenten voor expertise aankloppen bij organisaties als Stimulansz, dat een uitgebreide kennisbank heeft en coaching en training aanbiedt.” Niet op alle fronten hoeft het wiel opnieuw uitgevonden te worden. Veel gemeenten kunnen gebruik maken van bestaande kennis van het vraagstuk, benadrukt Florijn. Die zit bijvoorbeeld bij het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA), Vluchtelingenwerk, en ook bij een organisatie als NIBUD. “Die kun je gewoon bellen.” Maar hij ziet aarzeling: “Zo wordt COA wel eens gezien als juridisch bolwerk, terwijl er ook veel mensen werken met een achtergrond in maatschappelijk werk of begeleiding die prima kunnen meedenken. Met een paar fysieke of Zoom-sessies kun je snel inventariseren wie er actief zijn in je gemeente en waar eventuele witte vlekken zitten.”

Een nuttige groep die meestal wordt overgeslagen betreft ervaringsdeskundigen, merkte Florijn. “Gemiddeld heeft ongeveer 5 % van je bevolking een vluchtelingenachtergrond. Die mensen weten wat het is om een nieuwe start te maken. Via Vluchtelingenwerk zijn zij best te vinden.”

Alle hens aan dek

Terwijl het aantal bijstandsgerechtigden drie jaar op rij daalde, ziet Florijn dat de Corona-crisis nu maakt dat het alle hens aan dek is voor de uitvoerders van de Participatiewet. “In de drukte die ontstaat in het sociaal domein is de verleiding groot om vooral quick wins te zien, mensen die het dichtst bij de arbeidsmarkt staan. Daardoor dreigen statushouders uit het oog verloren te worden. Ik roep gemeenten op te voorkomen dat je door te weinig aandacht een groep creëert die straks alleen met de grootst mogelijke moeite weer te betrekken is bij de samenleving.”

Zoekt u een training over de nieuwe Wet inburgering?

Ontdek de mogelijkheden van de Stimulansz Academie

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina