Taalles en werk als kortste route naar inburgering

Arbeidsmarktdeskundige Gerrit van Romunde van Stimulansz over de kortste weg naar een volwaardige plek in de Nederlandse samenleving.

Met inburgering kun je niet snel genoeg beginnen. De grootste slagingskans heeft dat volgens Van Romunde als de nieuwkomer betaald werk heeft of, als dat nog niet meteen lukt, met vrijwilligerswerk, stage of een werkervaringsplaats. “Inburgeraars doen daarmee zo vroeg mogelijk sociale contacten op in hun nieuwe woonplaats en leren sneller de Nederlandse taal.”In het nieuwe stelsel, dat naar verwachting op 1 januari 2022 van kracht wordt, moeten inburgeraars (ook gezinsmigranten) de Module Arbeidsmarkt en participatie (MAP) succesvol afronden, binnen drie jaar. Even lang als de andere onderdelen van het inburgeringsplicht. Het traject dat nu Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt (ONA) heet, vervalt. Inburgeraars die de zogeheten ‘onderwijsroute’ volgen, zijn vrijgesteld van de MAP, omdat arbeidsmarktoriëntatie deel uitmaakt van het taalschakeltraject.

Lokale accenten

Ook al liggen de contouren van het nieuwe stelsel grotendeels vast, het aandeel van gemeenten daarin biedt volgens Van Romunde voldoende ruimte voor maatwerk en lokale accenten. Daarmee hebben we volgens hem meteen de grootste verbetering te pakken. “Het ONA-traject, met leerroutes en eindtermen, leidde niet noodzakelijkerwijs naar de beste kansen. Het ging uit van een in Den Haag of bij DUO vastgestelde set eisen. Verder zag je dat gemeenten, ook na inburgering, niet zo vaak gebruik maakten van wat door de inburgeraar binnen de ONA al was gedaan.”
Het ambitieniveau (wanneer zijn we tevreden met het resultaat?) is een beleidskeuze van gemeenten zelf. De invulling van de MAP kan desgewenst worden afgestemd op de vraagzijde van de regionale arbeidsmarkt. Van Romunde: “Vind je dat mensen eerst taalniveau B1 moeten hebben, of kunnen ze met een wat minder hoog niveau alvast aan de slag in werkvloertrajecten? Hoe rigide ga je als gemeente om met termijnen? Mogen nieuwkomers zich, ook als het ietsje langer duurt, ontplooien op de Nederlandse arbeidsmarkt? Of moeten zij zo snel mogelijk instromen in werk en uit de uitkering? Bied je voor een grotere slagingskans misschien nog iets extra’s aan opleiding, indien nodig? Over zulke vragen moeten gemeenten en gemeenteraden echt eerst nadenken. Als een brede visie op inburgering en inclusiviteit duidelijk is, maakt dat het makkelijker de opdrachten in te vullen die de wet stelt en optimaal gebruik te maken van de beleidsvrijheid.”

Geen apart project

Wat Van Romunde nadrukkelijk afraadt, is dat gemeenten de taken op het gebied van inburgering benaderen als een apart project. Met de decentralisaties in het sociale domein is inmiddels vijf jaar ervaring opgedaan. De principes daaruit (eigen kracht en integraliteit) kunnen volgens hem grotendeels gekopieerd worden naar het inburgeringsstelsel, waardoor een slimmere verbinding wordt gelegd met andere wettelijke taken.
“In mijn opvatting betekent integraliteit niet zozeer dat je letterlijk uitgaat van de wet, maar van wat van de burger daadwerkelijk nodig heeft om mee te kunnen doen. Het zou een gemiste kans zijn als gemeenten de doelen die ze zich stellen in de brede samenleving, loslaten voor de doelgroep nieuwkomers.”

Pagina delen op socials

Meer weten over dit onderwerp?

Gerrit van Romunde helpt je graag verder.

Nieuwsbrief Sociaal Domein

Binnen 5 minuten op de hoogte van de actuele ontwikkelingen in het sociaal domein? Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief. Met onder andere blogs van experts, interessante whitepapers en toelichting op wet- en regelgeving.

Anderen bekeken ook

Gokken en cryptovaluta in de bijstand: dit moet je weten als consulent

Een inwoner meldt zich bij je met een bijstandsuitkering. Tijdens het gesprek vertelt hij dat hij “af en toe wat gokt” en daarnaast handelt in cryptovaluta. Hij zegt dat hij geen winst maakt. Maar klopt dat? En wat betekent dit voor zijn recht op bijstand?

Tip voor een nieuw socialezekerheidsstelsel, het kan anders!

Op 24 maart was er een commissiedebat over de Participatiewet. Nu zijn daar veel dingen besproken, maar één punt licht ik er graag uit. Naar schatting ongeveer een derde van de mensen die op dit moment in de Participatiewet zitten, past daar niet goed in omdat ze moeilijk tot niet kunnen werken vanwege ziekte of beperking. Voor de zomer wordt de Kamer geïnformeerd over mogelijke oplossingen. Hierbij alvast een voorzet.

“Elke gemeente moet een toezichthouder hebben”

Hoe voorkom je misbruik en fraude binnen de Wmo en de Jeugdwet? Goed toezicht is daarvoor belangrijk. En dat is een vak apart. Daarom is er binnenkort weer de training Toezichthouder Wmo en Jeugdwet, opgezet door Geert van der Schoor en Paul Norp. “Het is hoog tijd dat gemeenten het toezicht Wmo en Jeugdhulp goed inrichten.”