De berekening van de beslagvrije voet en de afloscapaciteit

In de nieuwe berekening is er in de basis minder ruimte voor maatwerk. De leefsituatie en de inkomenssituatie zijn bepalend voor de hoogte van de beslagvrije voet. Om dit te bepalen ontvangt de beslaglegger informatie over de leefsituatie uit de basisregistratie personen (BRP). De wet kent 4 leefsituaties: alleenstaand, alleenstaand met kinderen, gehuwd zonder kinderen, gehuwd met kinderen. Het aantal minderjarige kinderen is niet meer relevant. De aparte norm voor jongeren en ouderen verdwijnt; wel blijft er een aparte norm bestaan voor mensen die in een inrichting voor verpleging of verzorging verblijven. Deze leefsituaties sluiten aan bij het stelsel van de Participatiewet.

Om de hoogte van het inkomen te bepalen heeft de beslaglegger toegang tot de polisadministratie van UWV. Inkomsten uit loondienst en uitkeringen worden hierin geregistreerd. Op basis van deze informatie deelt de beslaglegger de klant in in 1 van de 3 inkomensgroepen: laag inkomen, middeninkomen en hoog inkomen. Burgers met een laag inkomen hebben recht op de maximale toeslagen. Deze groep zal altijd 5% van hun inkomen (incl. vakantiegeld) moeten aflossen. Burgers met een middeninkomen hebben verminderd recht op toeslagen. Hun beslagvrije voet bedraagt 95% van de bijstandsnorm, verhoogt met een compensatiekop. Burgers met een hoog inkomen hebben geen recht meer op toeslagen. Voor hen geldt de maximale beslagvrije voet die bestaat uit een vast bedrag. Deze bedragen zijn vastgelegd in artikel 475da en worden jaarlijks geïndexeerd.

Burger krijgt een controlerende en aanvullende rol

Burgers hebben vanaf 1 januari een controlerende rol in plaats van een informerende rol. Zij kunnen de beslagvrije voet controleren door gebruik te maken van het burgerportaal www.uwbeslagvrijevoet.nl. Beslagleggers zijn verplicht om door middel van een modelmededeling de burger op de hoogte te stellen van het beslag, de gebruikte persoonlijke gegevens en de hoogte van de beslagvrije voet. Burgers wordt in de modelmededeling gevraagd om eventuele aanvullende informatie te delen met de beslaglegger waardoor de beslagvrije voet verlaagd of verhoogd kan worden. Er is bijvoorbeeld de mogelijkheid om een verhoging te krijgen voor een periode van 6 maanden wanneer er sprake is van hoge woonlasten (hoger dan de voor huurtoeslag in aanmerking komende huurprijs + 10%). De burger heeft 4 weken de tijd om de aanvullende informatie door te geven aan de beslaglegger. Doet de burger dat niet binnen 4 weken, dan hoeft de beslaglegger de beslagvrije voet niet met terugwerkende kracht aan te passen.

Beslagvolgorde en coördinerend deurwaarder

Naast de berekening en de hoogte van de afloscapaciteit zorgt deze wet ook voor de introductie van een beslagvolgorde en een coördinerend deurwaarder. Met de beslagvolgorde hoopt de wetgever het beslag zo veel mogelijk te centraliseren bij 1 inkomensbron. Wanneer de beslaglegger zich niet houdt aan de beslagvolgorde kan het beslag vernietigd worden, tot 3 jaar na de datum van de beslaglegging. Er is een aantal uitzonderingen op de beslagvolgorde, waardoor het nog steeds mogelijk is dat op meerdere inkomensbronnen beslag wordt gelegd. Met de inwerkingtreding van de Wet stroomlijning keten derdenbeslag (verwachting 2022) wordt geregeld dat overheidsorganisaties en deurwaarders informatie kunnen uitwisselen over beslagen en verrekeningen, waardoor er geen beslag meer wordt gelegd op verschillende inkomstenbronnen. Hoewel de term coördinerend deurwaarder doet vermoeden dat er vanaf 1 januari 2021 al één regievoerder is, is er een coördinerend deurwaarder per inkomensbron. Deze stelt de beslagvrije voet vast, verstuurt de modelmededeling, ontvangt de aflossing en is verantwoordelijk voor een jaarlijkse herberekening. Informatie over beslagen op andere inkomensbronnen moet de burger dan ook zelf doorgeven aan de beslaglegger(s).

Overgangstermijn en overgangsrecht

Voor beslagen vanaf 1 januari 2021 tot 1 juli 2021 hebben sommige beslagleggende organisaties (met name gemeenten en waterschappen) een overgangstermijn aangevraagd. Dit betekent dat zij voor een periode van zes maanden de oude berekeningswijze mogen hanteren. Voor beslagen die zijn gelegd voor 1 januari 2021 geldt een overgangsrecht. Beslagleggers hebben 12 maanden de tijd om de nieuwe beslagvrije voet te berekenen. Voor zowel de overgangstermijn als het overgangsrecht geldt dat wanneer de burger verzoekt om toepassing van de nieuwe beslagvrije voet, de beslaglegger een herberekening moet maken. Als de beslaglegger nog geen gebruik kan maken van een eigen systeem, dan kan hij dit doen via het burgerportaal.

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina