Inzet van ondersteuning via de Wmo en de Jeugdwet moet zo effectief mogelijk zijn. Dat betekent allereerst dat die ondersteuning alleen terechtkomt bij de mensen die het echt nodig hebben. En die mensen moeten goed geholpen worden.

Het klinkt heel eenvoudig, maar dat is het niet altijd. De Wmo en de Jeugdwet zijn beide algemeen/ open geformuleerde wetten. Dat heeft als voordeel dat ze veel speelruimte geven, om zo maatwerk te kunnen bieden in een veelheid van situaties. Maar het heeft als nadeel dat ze niet zo makkelijk uitvoerbaar zijn. In beeldspraak gevat: tussen het zwart en het wit zit heel veel grijs.

Uitvoeringsvragen

Want wie hoort er bij de doelgroep en wie niet? En waar begint en eindigt de taak van de gemeente? Sommige mensen kunnen hun problemen zelf oplossen, sommige kunnen dat niet en sommige kunnen dat maar gedeeltelijk. En als de gemeente ondersteuning moet bieden is de vraag hoe ze die ondersteuning moet geven, zodat die past bij de cliënt. Met name bij de ‘nieuwe’ doelgroepen (jeugdhulpcliënten, Wmo-cliënten voor begeleiding en beschermd wonen) is het niet altijd eenvoudig om vast te stellen waarop aanspraak bestaat.

Als de gemeente die aanspraak uiteindelijk heeft bepaald, kan er nog een tweede vraagstuk volgen: de verstrekking van een persoonsgebonden budget. Is dat mogelijk? En zo ja, welke eisen moeten er dan worden gesteld aan de besteding?

De gemeente moet de aanspraken ook duidelijk kenbaar maken via een beschikking. En ze moet   cliënten (en vaak hun vertegenwoordigers) vanaf het begin goed informeren over hun rechten en plichten.

Bij de uitvoering zijn in de verschillende fases verschillende mensen betrokken: consulenten of wijkteammedewerkers, administratief medewerkers, sociaal-medisch adviseurs en toezichthouders. Maar ook externe instanties zoals het CAK en de SVB en gecontracteerde aanbieders.

Frauderisico’s

Al met al is de uitvoering een complex proces. Bovendien zijn er meer frauderisico’s. Het gaat, met name bij begeleiding, beschermd wonen en jeugdhulp om dure en doorlopende dienstverlening aan vaak kwetsbare/manipuleerbare cliënten. Helaas zijn er ook hulpverleners die daar op een onrechtmatige manier van willen profiteren. Gemeenten moeten hierop alert zijn, en zorgen dat hun handhavingsproces op orde is. Handhaven begint al bij de melding/aanvraag en moet zowel op de cliënten als op de hulpverleners gericht zijn. Preventie is daarbij het belangrijkst, omdat de handhavingsmogelijkheden na toekenning beperkt zijn, en bovendien bewerkelijk.

Samengevat: er moeten veel deelprocessen  goed verlopen om te zorgen dat het oorspronkelijke doel wordt bereikt: effectieve ondersteuning voor degenen voor wie die bedoeld is. Dat vraagt om een goede kwaliteitscontrole. Daarbij moet ook meer rekening worden gehouden met frauderisico’s en vooral met het beheersen daarvan. Goede uitvoeringskwaliteit vermindert frauderisico’s en maakt handhaving na toekenning makkelijker.

Handhaving en met name een zuivere toegangsbepaling, wordt belangrijker als financiële tekorten oplopen. Met de invoering van het abonnementstarief in de Wmo, dat leidt tot een toename van aanvragen, is die toegangsbepaling nog belangrijker geworden.

Geselecteerd op basis van dit onderwerp

Deel deze pagina